De Rijn staat historisch laag. De Maas voert minder water aan. Grondwaterstanden dalen verder en in grote delen van Nederland gelden inmiddels onttrekkingsverboden. Sinds medio juli is landelijk zelfs sprake van een feitelijk watertekort. Waterbeheerders moeten soms drastisch ingrijpen om onomkeerbare schade te voorkomen. Zo ook Hoogheemraadschap van Delfland dat met het besluit van 31 juli 2026 heeft gelast dat de sluizen volledig gesloten blijven en een algeheel onttrekkingsverbod heeft ingesteld. Dit brengt juridisch gezien een aantal interessante vraagstukken met zich mee die wij in dit blog aanstippen.
Water verdelen is keuzes maken
Als waterbeheerders geconfronteerd worden met ernstige droogte zoals nu het geval is, zullen er keuzes gemaakt moeten worden. Mogen boeren nog beregenen? Krijgt een natuurgebied extra water om schade te voorkomen? Hoe vaak mogen de sluizen open? De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geven hiervoor een vaste rangorde: de verdringingsreeks.
De verdringingsreeks is neergelegd in artikel 2.42 Omgevingswet en nader uitgewerkt in artikel 3.14 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze reeks geeft aan hoe het beschikbare oppervlaktewater moet worden verdeeld tijdens perioden van waterschaarste. Er zijn vier categorieën zoals onderstaande infographic laat zien. Uit de prioritering volgt al dat economische schade in tijden van ernstige droogte niet zonder meer doorslaggevend is.
Omdat de door Delfland genomen ingrijpende maatregelen waarschijnlijk veel vragen oproepen, is er op de website een Q&A geplaatst voor de glastuinbouw (categorie 3). Hierin wordt toegelicht dat het voornaamste doel van de maatregelen is om te voorkomen dat er schade aan dijken ontstaat waardoor de veiligheid in het geding komt. Het Wilnis-arrest laat zien dat droogte een reëel risico kan vormen voor de stabiliteit van waterkeringen. Voor een waterbeheerder kan dat via de band van opstalaansprakelijkheid (artikel 6:174 BW) zodoende een aansprakelijkheidsrisico opleveren. Dat maakt preventief ingrijpen ook vanuit dat oogpunt juridisch verdedigbaar.
Diverse belangen
Uit de nieuwsberichten blijkt dat boeren en tuinders het belang van het besluit natuurlijk ook wel inzien, maar aanzienlijk worden geraakt. Vandaar dat er ook uitzonderingen zijn bepleit. Daarbij is het juridisch van belang vast te stellen dat het uitvaardigen van een dergelijk verbod zelf, geen appellabel besluit is in de zin van de Awb. Het is namelijk een zogenoemd algemeen verbindend voorschrift waartegen de tuinders en boeren geen bezwaar en beroep kunnen indienen. Mochten boeren of tuinders het verbod overtreden dan zal door Delfland kunnen worden opgetreden. Tegen handhavingsmaatregelen kunnen boeren en tuinders uiteraard wel opkomen bij de bestuursrechter. Het is gelet op het belang bij het handhaven van een dergelijk verbod nog maar de vraag of de financiële belangen van individuele bedrijven zwaarder moeten wegen. In de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026 was dit in ieder geval niet aan de orde. Hier werd namelijk geoordeeld dat het algemeen belang bij het voorkomen van een te sterke daling van de grondwaterstanden zwaarder woog, onder andere gelet op het voorkomen van waterschaarste.
Schade
Deze zomer is zodoende sprake van een bijzondere situatie waarbij er verstrekkende en ingrijpende maatregelen in het algemeen belang van de veiligheid van burgers en voorkomen van (natuur)schade worden genomen. Maatregelen waardoor er in het kader van dat algemeen belang schade wordt geleden door individuele bedrijven.
Hoe er duidelijkheid zou moeten komen over de vraag wie die schade uiteindelijk moet dragen, is juridisch ook best spannend. Tot 1 januari 2024 viel een dergelijke situatie namelijk onder de Waterwet. Zo werd het instellen van onttrekkingsverboden beschouwd als ‘rechtmatige uitoefening van taken en bevoegdheden in het kader van het waterbeheer’ en viel dus onder de nadeelcompensatieregeling van artikel 7.14 Waterwet. Onder de nu van kracht zijnde Omgevingswet lijkt dit op basis van de tekst van artikel 15.1 niet meer het geval. De conclusie zou dan kunnen zijn dat er geen grondslag meer is voor nadeelcompensatie als gevolg van een onttrekkingsverbod. De interessante vraag is of dat ook echt de bedoeling is geweest van de wetgever omdat de parlementaire geschiedenis daar vervolgens geen duidelijkheid over geeft.
De beperkte jurisprudentie die er is onder de Waterwet, laat in ieder geval zien dat het algemeen belang van de veiligheid en stabiliteit van waterkeringen, de beschikbaarheid van drinkwater en het voorkomen van (onomkeerbare) schade aan de natuur zwaar weegt. Dit moet onder andere worden afgezet tegen de voorzienbaarheid van deze situatie, ook voor de individuele ondernemer en de vraag of deze (inmiddels) tot het normaal maatschappelijk risico hoort. Daarbij zal de rechter alle relevante omstandigheden van het geval moeten meewegen waaronder de toetsing van het (beleids)kader van de verdringingsreeks. Ook in zoverre wordt deze warme droge zomer van 2026 helaas wellicht memorabel.