"Kort en goed: op een waterschap rust geen algemene plicht om te zorgen voor oppervlaktewater dat zonder meer geschikt is om te gebruiken voor beregening. Daar mogen burgers en bedrijven in ieder geval niet zonder meer op rekenen"

Verzilting en de taak van het waterschap

Verzilting van oppervlaktewater wordt een steeds groter probleem in Nederland. Het grondwater is (daardoor) in de laaggelegen delen van Nederland op veel plaatsten brak tot zout. Om een indruk te krijgen van de problematiek is het goed om kennis te nemen van de op internet beschikbare deltafacts, die door de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer zijn opgesteld en ook van tijd tot tijd worden geactualiseerd.

In de rechtspraktijk gaat het vaak om de vraag of het gebruikmaken van min of meer zout water door bijvoorbeeld tuinders en de schade die dat tot gevolg kan hebben aan de planten, voor rekening komt van de gebruiker of dat het waterschap verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarvoor moet allereerst de algemene vraag worden beantwoord of een waterschap in een concreet geval, gezien de relevante feiten en omstandigheden, alsook de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en zijn beperkte middelen beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Dit in ogenschouw genomen dat deze zorgtaak geen resultaats- maar een inspanningsverplichting behelst (Hof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2015, HR 9 oktober 1981 (Bargerbeek), HR 8 januari 1999 (West-Friesland)).

Verder is op basis van vaste rechtspraak het uitgangspunt dat een waterbeheerder, bij de uitoefening van zijn taken, niet uit eigen beweging hoeft te onderzoeken of een ingeland klachten heeft en op basis daarvan reeds (anticiperende) maatregelen moet nemen vooruitlopend op een eventuele klacht (HR 9 oktober 1981 (Bargerbeek)). De hiermee samenhangende beleidsvrijheid van een waterschap, brengt echter niet mee dat het optreden van de waterbeheerder slechts marginaal wordt getoetst (HR 9 november 2001 (Rijnstromen)).

De casus

Het Gerechtshof Den Haag heeft recent een arrest gewezen over de aansprakelijkheid van een waterschap voor het zoutgehalte in het oppervlaktewater. Heeft een waterschap ook op dat gebied een taak? Is er wellicht sprake van “eigen schuld” van de gebruiker van te zout water? In dit arrest is sprake van gebrekkige doorstroming van een sloot waaruit door een tuinder gietwater wordt onttrokken. Daardoor is er schade ontstaan aan de lelies die betreffende tuinder teelt.

Het oordeel

Het hof overweegt als volgt:

“Uit artikel 5.2 van de Waterwet vloeit voort dat het Hoogheemraadschap een inspanningsverplichting heeft om vastgestelde waterpeilen zoveel mogelijk te handhaven. Uit artikel 1 van de Waterschapswet volgt dat waterschappen (onder meer) de waterstaatkundige verzorging in een gebied ten doel hebben. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat uit deze wettelijke taakstelling aan het Hoogheemraadschap niet kan worden afgeleid dat het Hoogheemraadschap de verplichting heeft te voorzien in de beschikbaarheid van oppervlaktewater met een voor een bepaald gewas geschikt zoutgehalte. In het bijzonder kan uit de wetsbepalingen niet worden afgeleid dat er een taak voor het Hoogheemraadschap zou zijn om ten behoeve van het gebruik van oppervlaktewater als gietwater te zorgen voor de aanwezigheid van dergelijk gietwater van een bepaalde kwaliteit. [appellant] wijst ook geen gronden aan voor die conclusie, behalve het feit dat het bij het Hoogheemraadschap bekend was dat door kwekers gebruik werd gemaakt van slootwater als gietwater. Die bekendheid brengt evenwel niet mee dat het Hoogheemraadschap ook gehouden is te zorgen voor de aanwezigheid van voldoende gietwater van een zekere kwaliteit. (…)”

Het hof gaat ook nog (ten overvloede) in op de vraag of de gestelde norm “gij zult zorgen voor oppervlaktewater dat niet te zout is” – strekt ter bescherming van agrariërs die het oppervlaktewater voor beregening gebruiken:

“(…) Voor zover moet worden aangenomen dat op het Hoogheemraadschap in algemene zin een verplichting rust de waterkwaliteit te bewaken, gaat het om een algemene norm en niet een voldoende specifieke gedragsnorm die ertoe strekt [appellant] te beschermen tegen vermogensschade die hij lijdt door fluctuaties in het zoutgehalte van het oppervlaktewater”

Conclusie

Uit dit arrest blijkt dat het waterschap er in zijn algemeenheid niet voor in hoeft te staan dat het oppervlaktewater een zoutgehalte heeft dat geschikt is voor een bepaald gewas c.q. dat een waterschap niet hoeft te zorgen voor oppervlaktewater dat geschikt is voor beregening. Als een dergelijke plicht toch moet worden aangenomen vanwege de omstandigheden van het geval, dan strekt die norm volgens het hof niet ter bescherming van het vermogensbelang van een tuinder en kan hij zich vanwege die omstandigheid niet op die norm beroepen.

Kort en goed: op een waterschap rust geen algemene plicht om te zorgen voor oppervlaktewater dat zonder meer geschikt is om te gebruiken voor beregening. Daar mogen burgers en bedrijven in ieder geval niet zonder meer op rekenen.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Jan Jacobse en mr. Ronald Pieterse.

< Naar overzicht