"Eiser was dus te laat voor wat betreft de wettelijke rente."

Verjaringstermijn wettelijke rente

Op grond van artikel 3:324 eerste lid BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak. Het derde lid van voornoemd artikel bepaalt dat de verjaringstermijn vijf jaren bedraagt voor hetgeen “ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald”. Artikel 3:324 derde lid BW bevat dus een uitzondering op de hoofdregel (verjaringstermijn van twintig jaar) van het eerste lid. In de parlementaire geschiedenis van BW Boek 3 (MvA II, p. 943) wordt aangegeven dat deze uitzondering op de verjaringstermijn van twintig jaar is gemaakt, voor die situaties waarin het om geldbedragen gaat waarbij voor de schuldenaar het gevaar dreigt dat bij niet-betaling deze bedragen tot onredelijke hoogte zullen oplopen. In deze gevallen mag van een schuldeiser verwacht worden dat hij binnen redelijke termijn overgaat tot ten minste betekening van het vonnis en schriftelijke aanmaning. Artikel 3:324 derde lid BW is onder meer van toepassing op periodieke betalingen zoals huur of pacht. Maar hoe zit het nu precies met de wettelijke rente?

In de conclusie van AG Langemeijer bij het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2016 wordt antwoord gegeven op de vraag of de veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente (overigens zonder dat het bedrag bepaald is) onder de korte verjaringstermijn van het derde lid van artikel 3:324 BW of onder de lange termijn van artikel 3:324 eerste lid BW valt. De procedure voorafgaand aan voornoemd arrest verliep als volgt:

Bij vonnis van 30 september 1994 heeft Rechtbank Rotterdam de gedaagde partij (Eurowoningen Grondbedrijf B.V.), die door eisers was aangesproken uit onrechtmatige daad, veroordeeld tot vergoeding van de schade die eisers hebben geleden, daaronder begrepen de wettelijke rente vanaf de dagvaarding (te weten: 14 mei 1991), nader op te maken bij staat. Het Hof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd bij arrest van 15 oktober 1998. In 2012 maakt eiser een procedure aanhangig ten einde onder meer de wettelijke rente in te vorderen. In eerste aanleg heeft de rechtbank de wettelijke rente op één lijn gesteld met de (verjaring van de) hoofdsom en zodoende de vordering toegewezen omdat de verjaringstermijn van 20 jaar nog niet was verstreken. Het Hof Den Haag gaat niet in deze redenering mee en beslist dat op de wettelijke rente de kortere verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:324 lid 3 BW) van toepassing is. De Hoge Raad volgt de AG in zijn conclusie en verwerpt het principale beroep. De Hoge Raad overweegt als volgt:

“Voor de toepasselijkheid van artikel 3:324 lid 3 BW is niet vereist dat hetgeen ‘ingevolge de uitspraak’ bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald, in die uitspraak zelf is vastgesteld op een bepaald bedrag. (…) “Het voorschrift bestrijkt derhalve alle daarin bedoelde periodieke verplichtingen voor zover het vorderingsrecht is ontstaan.”

Of een uitspraak een dergelijke verplichting inhoudt, moet volgens de Hoge Raad beantwoord worden aan de hand van het dictum, gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande overwegingen en het gevorderde. Aangezien het hier ging om een vordering tot vergoeding van de wettelijke rente, volgt daaruit naar oordeel van de Hoge Raad zonder meer dat het een verplichting betrof zoals bedoeld in artikel 3:324 derde lid BW. De korte termijn is hier van toepassing. Eiser was dus te laat voor wat betreft de wettelijke rente.

De toepassing van deze en andere verjarings- en vervaltermijnen is ons dagelijks werk. Wij helpen u dan ook graag om de klok voor te blijven.

Neemt u gerust contact op met mr. Jan Jacobse of mr. Esther Tange.

 

 

 

< Naar overzicht