"Minder snel verkrijgende verjaring bij publieke grond."

Verjaring bij particulier gebruik gemeentegrond

Sommige burgers komt het bezit in de schoot vallen. Doordat je toevallig naast een strook openbaar groen woont en de gemeente stilzwijgend gedoogt dat je je tuin flink uitbreidt, word je ook nog de trotse eigenaar. In twee recente arresten geeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch aan dat dat minder snel aan de orde is dan vroeger.

Het kan inderdaad zo zijn dat de eigendom van dergelijke stroken grond overgaat op de burger, als de grond in kwestie in bezit is genomen (art. 3:105 BW). Of van inbezitname sprake is, moet worden beoordeeld op grond van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen over bezit en op grond van de uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Als een stuk grond in bezit is genomen, dan treedt de verjaring in na verloop van 20 jaren (art. 3:306 BW). Niet van belang is hoeveel opvolgende bezitters er zijn geweest en of het bezit te goeder trouw is of niet.

Voor bezit is dus bepalend of naar buiten toe (lees: naar de gemeente) kenbaar is gemaakt dat de burger het eigendomsrecht van de gemeente betwist. In dat kader is onder andere bepalend hoe het perceel is ingericht en of de inbezitneming voldoende voor een ieder kenbaar was.

Onlangs is er een aantal uitspraken gedaan waaruit blijkt dat bij stroken publieke grond, niet zo snel wordt aangenomen dat een niet-rechthebbende (lees: de burger) bezit heeft genomen van het betreffende stuk grond. Er lijkt wat dat betreft een soepeler regime te gelden voor publieke gronden.

Voornoemde lijn in de jurisprudentie werd al zichtbaar in de conclusie van de AG, bij het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016. De AG overwoog dat het gerechtshof terecht had overwogen dat bij een onroerende zaak niet te snel inbezitname kan of mag worden aangenomen  en dat dit “(….) temeer geldt bij stroken publieke eigendommen die grenzen aan percelen die aan privé personen in eigendom toebehoren”.

Op 11 oktober 2016 en 18 oktober 2016 heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch twee arresten gewezen, waarin nadere uitwerking wordt gegeven aan voornoemde uitgangspunten. In het laatstgenoemde arrest overweegt het hof dat het particuliere gebruik van stroken publieke grond in de regel niet op bezwaren van de eigenaar (lees: de gemeente) zal stuiten, zo lang dat gebruik niet afdoet aan de verkeersveiligheid en ook niet verhindert dat de gemeente toegang heeft tot de strook grond. Het Hof overweegt verder dat het particulier gebruik van dergelijke groenstroken zelfs kan leiden tot een situatie die voordelig is, voor zowel de eigenaar van het belendende perceel als voor de gemeente. Het Hof benoemt in dit kader dat burgers gemeentegronden kunnen onderhouden en eventueel zelfs met planten verfraaien.

Het voorgaande leidt tot de overweging: “dat de gemeente niet optreedt tegen particulier gebruik van stroken als hier bedoeld, mag daarom niet snel worden uitgelegd als een blijk van desinteresse van de gemeente voor haar eigendommen, ook niet als de gemeente gebruik gedoogt dat een particuliere eigenaar niet van zijn buurman zou dulden. Als in situaties als deze het gedogen té snel het risico in zich bergt dat het leidt tot verlies van eigendom aan de zijde van de gemeente kan dat de uitoefening van overheidstaken waarvoor de toegang tot de strook en- of het gebruik ervan noodzakelijk is, bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Deze consequentie zou voor de gemeente ook aanleiding kunnen zijn om dat gebruik – en vergelijkbaar gebruik in alle andere gevallen – voortaan niet meer te gedogen. Particulier èn gemeente missen dan de beperkte, maar niet te verwaarlozen voordelen van het tot dan toe gedoogde gebruik van de strook publieke grond. Het is mede tegen deze achtergrond dat het het Hof juist voorkomt dat, waar in het algemeen bij onroerende zaken al niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende pleegt te worden aangenomen, dit des te meer geldt bij stroken publieke grond als de onderhavige.”

Het hof geeft hiermee, in lijn met het hof-arrest én de conclusie van de AG die voorafgingen aan voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 1 april 2016, aan dat de praktijk van alledag het rechtvaardigt dat er minder snel van uitgegaan mag worden dat gemeentegrond in bezit genomen wordt door een particuliere gebruiker. Dit heeft gevolgen voor het moment waarop en de voorwaarden waaronder gebruikers van gemeentegrond zich er met succes op kunnen beroepen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de grond.

Meer weten over dit onderwerp? Neemt u gerust contact op met mr. Ronald Pieterse of mr. Jan Jacobse.

< Naar overzicht