"Het hebben van een vergunning vrijwaart niet tegen claims uit onrechtmatige daad"

Vergunningen en onrechtmatige hinder

Sinds het arrest Vermeulen/Lekkerkerker is het vaste rechtspraak dat een vergunning niet vrijwaart tegen aansprakelijk uit onrechtmatige daad, gebaseerd op uitvoering van de vergunde activiteit. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat een Hinderwetvergunning niet betekent dat eigenaren van buurpercelen de hinder moeten dulden die er zonder de vergunning niet zou zijn geweest. Die hinder kan immers een inbreuk op het eigendomsrecht vormen (art. 5:37 BW). Voor de vraag of daarvan sprake is, zijn de ernst van de hinder en de omstandigheden in kwestie bepalend.

De casus

Op 16 juni jl. heeft de Hoge Raad opnieuw een arrest met deze strekking gewezen. In dit arrest ging het om een pluimveebedrijf waarvoor de gemeente driemaal een (revisie)vergunning had verleend op grond van de Wet milieubeheer, welke driemaal door de Raad van State was vernietigd. Sinds 2011 beschikten de exploitanten over een onherroepelijke vergunning voor de inrichting. De eigenaren van nabijgelegen recreatiewoningen hebben een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd dat de pluimveehouders onrechtmatig hebben gehandeld in de periode 2002-2008, door zonder vergunning een inrichting te exploiteren en door het veroorzaken van stankhinder. Aan de hand van de maatstaven die vanaf 1 januari 2007 op grond van de Wet geurhinder en veehouderij golden, heeft een deskundige geoordeeld dat de geur onaangenaam tot zeer onaangenaam was.

De Hoge Raad zet in zijn arrest de jurisprudentie over onrechtmatige hinder (art. 5: 37 BW) uiteen en overweegt dat de vraag of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is afhangt van:  

“de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (…). Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder.”

Uit deze overweging blijkt dat voor de toets of onrechtmatige hinder wordt toegebracht (nog steeds) niet zonder meer bepalend is of werd voldaan aan publiekrechtelijke regelgeving. In dit geval gaf het rapport uiteindelijk de doorslag. Daaruit bleek dat het pluimveebedrijf bij de buren (onrechtmatige) stankhinder teweegbracht.

Dat de discussie over onrechtmatige hinder vaker voorkomt, blijkt uit een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, dat twee dagen eerder werd gewezen. In die kwestie ging het om Deltapark Neeltje Jans, die zich op het standpunt stelde dat een nabij gelegen windmolenpark dermate veel hinder en gevaar zou veroorzaken dat dit een onaanvaardbare hinder voor de bedrijfsvoering zou opleveren en daardoor schade teweeg zou brengen.

Het oordeel

De rechtbank overweegt, in lijn met het arrest Vermeulen/Lekkerkerker, dat een onherroepelijke vergunning van het windpark haar niet vrijwaart tegen civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens derden, indien het gebruikmaken van die vergunning bij derden tot schade lijdt. Wel vindt de rechtbank het van belang om te kijken naar de regelgeving waarop het besluit berust (in casu het bestemmingsplan). De onderzoeken die daaraan ten grondslag liggen, kunnen aanwijzingen bevatten over de rechtmatigheid van het gebruik van vergunde activiteiten. De rechtbank betrekt daarom het bestemmingsplan ‘Neeltje Jans’ bij haar beoordeling. Aan de hand hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de procedure tegen het bestemmingsplan in aspecten zoals geluidshinder, slagschaduw, veiligheid en ijsafzetting, geen grond heeft gezien om het bestemmingsplan niet in stand te laten. In de afnemende belevingswaarde van het park, de aantasting van de sfeer en de gevoelens van onveiligheid evenmin. Omdat het eerder uitgewerkte onderzoek (naar de rechtmatigheid van het bestemmingsplan) zich heeft uitgestrekt over vrijwel alle door Neeltje Jans aangedragen aspecten en het bestemmingsplan in stand is gebleven, oordeelt de rechtbank dat deze naar maatschappelijke opvattingen in beginsel niet als onrechtmatige hinder zijn te beschouwen.

Conclusie

Meer dan 25 jaar na Vermeulen/Lekkerkerker is de in dit arrest uitgezette lijn nog niet verlaten. Een onherroepelijke vergunning vrijwaart een vergunninghouder dus niet tegen claims die verband houden met onrechtmatige hinder verband houdende met het gebruik maken van die vergunning. Echter, de slagingskans van een dergelijke procedure moet ook weer niet worden overschat. Het bestuursrechtelijke voortraject en de onderzoeken die in dat kader zijn verricht, kunnen meebrengen dat het voor derden bepaald niet eenvoudig is om aan te tonen dat de publiekrechtelijke toegestane activiteiten jegens hen onrechtmatig zijn.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Ronald Pieterse of mr. Jan Jacobse.

< Naar overzicht