"De curator heeft inbreuk gemaakt op de exclusieve rechten van verhuurder en heeft door zijn handelen een voordeel verkregen dat anders aan de verhuurder zou zijn toegekomen."

Verbod tot onderhuur geldt ook voor de curator van de failliete huurder

De faillissementscurator heeft als wettelijke taak de boedel te beheren en te vereffenen. Voert hij zijn taak onzorgvuldig uit, dan kan hij aansprakelijk zijn ten opzichte van derden, zoals schuldeisers of de verhuurder van de bedrijfsruimte.

Beëindiging huurovereenkomst
De zaak waar het Hof Arnhem-Leeuwarden op 14 maart 2017 over heeft geoordeeld, heeft betrekking op een faillissement van een onderneming die een schoenenwinkel exploiteert in een gehuurde bedrijfsruimte. Vanwege het faillissement van deze huurder, zegt de verhuurder de huurovereenkomst ex artikel 39 Faillissementswet (Fw) op. Gedurende de opzegtermijn, heeft de curator – zonder daarvoor verkregen toestemming van de verhuurder – de winkelruimte onderverhuurd aan een derde die de ruimte gebruikt om schoenen te verkopen. Dit gebruik had niet uitsluitend tot doel een doorstart te faciliteren dan wel de winkelruimte te ontruimen. Dit handelen van de curator is in strijd met het tussen de verhuurder en de failliete huurder overeengekomen verbod tot onderverhuur danwel ingebruikgeving aan een derde. De curator q.q. is tekort geschoten in de nakoming van die huurovereenkomst.

Welke gevolgen heeft deze handelwijze?

Aansprakelijkheid curator, algemeen
De vraag of een curator q.q. aansprakelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van de (gewone) maatstaven van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW (zie HR 19 december 2003, Curatoren Mobell/Interplan).

Dit betekent dat sprake moet zijn van een onrechtmatige daad die aan de curator kan worden toegerekend. Daarvoor is vereist dat de onrechtmatige daad te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

In het arrest van de Hoge Raad van 19 april 1996 (Maclou) is – kort samengevat – overwogen dat het voor de aansprakelijkheid van een curator pro se (persoonlijke aansprakelijkheid van de curator) bepalend is of is gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in de uitspraak van 14 maart 2017 beslist dat het handelen van de curator dermate onzorgvuldig en in het licht van de rechtspraak over huuropzegging en indeplaatsstelling zo ongebruikelijk is, dat de curator het onjuiste van zijn handelen had moeten inzien. Daarom is hij persoonlijk aansprakelijk.

Verbod tot onderverhuur
Het handelen van de curator is – zoals gezegd - in strijd met het tussen verhuurder en de failliete huurder contractueel overeengekomen verbod tot onderhuur dan wel ingebruikgeving aan een derde. Indien de curator voor ogen had om met de ingebruikgeving een doorstart te faciliteren, dan had hij aan de verhuurder of zonodig aan de rechter, toestemming moeten vragen voor een indeplaatsstelling. Dat is echter niet gebeurd.

Verder is van belang dat deze derde een vergoeding aan de curator heeft betaald voor het gebruik van de winkelruimte. Zou de verhuurder hebben ingestemd met indeplaatsstelling, dan zou deze vergoeding (deels) aan hem ten goede zijn gekomen. In dat geval zou de preferente huurschuld (boedelschuld) van verhuurder op de failliet met het aldus verkregen bedrag zijn verminderd.

Exclusieve rechten van verhuurder
De rechter oordeelde dat de curator inbreuk heeft gemaakt op de exclusieve rechten van verhuurder en door zijn handelen een voordeel heeft verkregen dat anders aan verhuurder zou zijn toegekomen. De curator q.q. is hierdoor tekortgeschoten jegens verhuurder. De curator is niet bevoegd om zonder instemming van de verhuurder/eigenaar de winkelruimte tijdens de opzeggingsperiode in gebruik te geven aan een derde, ook niet wanneer de ingebruikgeving is gedaan met het oog op een mogelijke doorstart. Ook in dat geval blijft de bevoegdheid om het huurgenot van de winkelruimte aan een derde te verschaffen uitsluitend bij de verhuurder rusten.

Van dit uitgangspunt is in de rechtspraak alleen afgeweken in gevallen waarin de curator de verhuurder verzocht om indeplaatsstelling van een bepaalde huurder met het oog op een doorstart van de failliete onderneming en sprake was van misbruik van bevoegdheid van de verhuurder of waarin de opzegging ex art. 39 Fw of het vasthouden daaraan door de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar werd geacht. Deze omstandigheden doen zich in dit geval echter niet voor.

Toepassing Maclou-arrest
De curator heeft zich ten opzichte van verhuurder bovendien onzorgvuldig van zijn taak gekweten. Het hof verwijt de curator dat hij de winkelruimte ten onrechte aan een derde ter beschikking heeft gesteld en aan verhuurder geen enkele waarborg heeft verstrekt voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Pas nadat hij de winkelruimte aan de derde ter beschikking had gesteld, heeft de curator verhuurder informatie over de potentiële nieuwe huurder verstrekt.

Naar het oordeel van het hof is het handelen van de curator onder de hiervoor genoemde omstandigheden dermate onzorgvuldig en – mede in het licht van de rechtspraak over huuropzegging en indeplaatsstelling – zo ongebruikelijk, dat de curator het onjuiste van zijn handelen moet hebben ingezien, althans redelijkerwijze behoorde in te zien, zodat hem een persoonlijk verwijt van zijn onzorgvuldig handelen kan worden gemaakt. Het hof acht de curator in navolging van de kantonrechter dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de door verhuurder als gevolg van dit handelen geleden schade. Die schade bestaat eruit dat de curator zonder daartoe gerechtigd te zijn de winkelruimte aan een derde ter beschikking heeft gesteld en daarbij een bate voor de boedel heeft bedongen die niet – hoewel dat wel voor de hand had gelegen – aan verhuurder ten goede is gekomen. Als gevolg van de omvang van de (hoog) preferente boedelvorderingen (waaronder het salaris van de curator) is de boedelvordering van verhuurder namelijk onbetaald gebleven, terwijl door zijn optreden de curator verhuurder de mogelijkheid heeft ontnomen om zelf een gebruiksvergoeding bij de derde te bedingen, in welk geval verhuurder wel betaald zou zijn voor de ingebruikgeving c.q. onderhuur van het pand gedurende de opzegtermijn.

Nu vaststaat dat de gebruiker bereid was om een vergoeding te voldoen en deze ook aan de curator heeft betaald, is er een causaal verband aanwezig tussen de onrechtmatige gedragingen van de curator en de schade van verhuurder, bestaande uit het bedrag dat verhuurder is misgelopen aan gebruiksvergoeding door de derde/gebruiker. De curator is door het Hof persoonlijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de verhuurder.

Conclusie
In geval van een faillissement kan de huurovereenkomst ex artikel 39 Fw rechtsgeldig door de verhuurder of huurder (de curator) opgezegd worden. De curator mag de huurovereenkomst opzeggen, wanneer hij daartoe toestemming krijgt van de rechter-commissaris en hij een opzegtermijn van drie maanden in acht neemt. Als onderverhuur of in gebruik geven in de huurovereenkomst is verboden, geldt dit verbod ook voor de curator en mag hij de bedrijfsruimte niet zonder toestemming van de verhuurder onderverhuren of in gebruik geven.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Joke Mikes of mr. Chris van de Merbel.

< Naar overzicht