"Indien u overweegt om in het kader van afspraken over de duur van te betalen partneralimentatie af te wijken van de wet, is grote voorzichtigheid geboden."

Vaststelling van partneralimentatie en kristallen bollen gaan niet samen

Op grond van het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 BW eindigt een verplichting om partneralimentatie te betalen twaalf jaar na het einde van een huwelijk. Dat is een lange tijd. In het kader van veel echtscheidingsprocedures of onderhandelingen tussen partijen over de gevolgen van de echtscheiding, wordt een veel kortere termijn vastgesteld of overeengekomen, omdat partijen de verwachting hebben dat de alimentatiegerechtigde veel eerder dan na twaalf jaar in staat zal zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Maar wat heeft dan te gelden als deze verwachting niet uit komt, bijvoorbeeld omdat de alimentatiegerechtigde, geheel tegen de verwachting in, toch geen betaald werk heeft kunnen vinden? Kan de alimentatiegerechtigde dan met succes betogen dat er langer dan de vastgestelde of overeengekomen termijn betaald moet worden? Daarover heeft het Gerechtshof ’s Gravenhage al op 18 november 2015 geoordeeld, maar deze uitspraak is pas onlangs gepubliceerd, nadat de Hoge Raad op 27 januari 2017 de uitspraak in stand heeft gelaten.

Een man en een vrouw waren met elkaar gehuwd. In de loop van 2010 loopt het huwelijk spaak en wordt een echtscheidingsprocedure opgestart. In die procedure wordt ook getwist over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Uiteindelijk oordeelt het Gerechtshof 's-Gravenhage op 30 november 2011 dat de man aan de vrouw een partneralimentatie dient te betalen van € 3.200,- per maand, met ingang van 25 augustus 2011 en eindigend op 25 augustus 2014. De termijn is korter dan de wettelijke termijn van 12 jaren, omdat de vrouw verwachtte dat zij op 25 augustus 2014 wel in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Dat blijkt niet het geval en bij verzoekschrift van 17 juli 2014 heeft de vrouw de Rechtbank ’s-Gravenhage verzocht te bepalen dat de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie wordt verlengd tot 25 augustus 2023, dan wel een zodanige termijn en een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De Rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2015 de termijn van alimentatiebetaling verlengd tot 1 september 2017. De man was het daarmee niet eens en ging in hoger beroep.

Het Gerechtshof overweegt in zijn arrest van 18 november 2015 dat bij limitering van een uitkering tot levensonderhoud een definitief einde wordt gemaakt aan het recht op levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, tenzij een van de wettelijke wijzigingsmogelijkheden van artikel 1:401 lid 2 en 4 BW zich voordoen.

In artikel 1:401 lid 2 BW is bepaald dat alimentatie (ook de duur ervan) bij een wijziging van omstandigheden gewijzigd kan worden als ongewijzigde handhaving van de eerder door de rechter vastgestelde duur naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Naar het oordeel van het Gerechtshof is echter een verkeerde inschatting van het moment waarop in eigen levensonderhoud kan worden voorzien (aangeduid met een teleurgestelde toekomstverwachting) op zichzelf niet een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden en niet dermate bijzonder, dat een verlenging van de alimentatietermijn op grond van art. 1:401 lid 2 BW gerechtvaardigd is (r.o. 7-12). De vrouw doet ook nog een beroep op het bepaalde in artikel 1:401 lid 4 BW, waarin staat dat alimentatie (ook de duur ervan) gewijzigd kan worden indien bij de vaststelling ervan, van onjuiste gegevens is uitgegaan. Een teleurgestelde toekomstverwachting, in die zin dat de verwachting van de vrouw betaalde arbeid zou kunnen vinden om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien niet is uitgekomen, brengt volgens het Gerechtshof niet mee dat geconcludeerd dient te worden dat het Gerechtshof in 2011 van een onjuist gegeven is uitgegaan.

De vrouw krijgt dus ongelijk en de alimentatieduur wordt niet verlengd. Zij gaat tevergeefs in cassatie bij de Hoge Raad.

Uit deze uitspraak kan dus afgeleid worden dat indien u overweegt om in het kader van afspraken over de duur van te betalen partneralimentatie af te wijken van de wet, grote voorzichtigheid geboden is. Laat u goed voorlichten! Wij zijn graag bereid om u van dienst te zijn. Neemt u gerust contact op met mr. Chris van de Merbel of mr. Joke Mikes.

< Naar overzicht