"Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de aanspraak op een bonus niet onder de overeengekomen finale kwijting valt. "

Een werknemer was in dienst bij Chubb Fire & Security als servicemonteur. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2007 opgezegd omdat hij bij een andere werkgever in dienst kon treden. De werkgeefster betaalde vervolgens het loon van januari 2007 niet uit en ook de eindafrekening vond niet plaats. De werkgeefster vond namelijk dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij reeds vanaf 2 januari 2007 bij een directe concurrent is gaan werken, terwijl hij gebonden is aan een concurrentiebeding. De werknemer was niet beschikbaar voor het verrichten van zijn werkzaamheden, en hij heeft daarom geen recht op loon over de maand januari 2007. De werkgeefster zou zich nog beraden over betaling van een bonus over het jaar 2006. In het overleg dat daarop volgde, heeft de werkgeefster voorgesteld dat geen procedure over het schenden van het concurrentiebeding wordt gevoerd, mits de werknemer zijn recht op loon over januari 2007 opgeeft en dat finale kwijting overeengekomen wordt. De werknemer is met het voorstel van de werkgeefster akkoord gegaan. Hij vordert thans een verklaring voor recht dat hij nog recht heeft op uitbetaling van de bonus over 2006. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de bonus onderdeel uitmaakte van de overeenkomen finale kwijting. Het gerechtshof oordeelde echter anders; de werknemer heeft wél recht op de bonus.

In het voorstel van de werkgeefster is namelijk vermeld dat de werkgeefster met de werknemer zal afrekenen per 1 januari 2007. Deze formulering wijst er volgens het gerechtshof niet op dat daarmee ook de bonusaanspraak van werknemer wordt bedoeld. Die had immers betrekking op het jaar 2006. In het voorstel werd tevens vermeld dat de werkgeefster na zou gaan of de werknemer aanspraak heeft op een bonus en dat de werkgeefster hem daarover zal informeren. Bovendien was de werknemer servicemonteur, zodat de overtreding van het concurrentieverbod niet als een grote kwestie voor Chubb kan worden beschouwd, en zij niet van de werknemer kon verlangen dat hij zijn bonus opgaf. Bovendien is het niet aannemelijk dat de werknemer een in verhouding tot zijn inkomen mogelijk zeer substantiële bonus zou prijsgeven. De werkgeefster kan wel bedoeld hebben dat de finale kwijting zich ook zou uitstrekken tot de bonus over 2006, maar zodanige bedoeling is niet beslissend voor de uitleg daarvan. Bij twijfel over de juiste uitleg van de finale kwijting mag die twijfel niet in het nadeel van de werknemer uitvallen. De werkgeefster heeft bovendien meermaals brieven naar haar werknemers, waaronder de werknemer, gestuurd (na beëindiging van het dienstverband) met informatie over de (berekening van de) bonus. De werkgeefster had moeten uitleggen waarom die brieven (ook) naar de werknemer zijn verstuurd en om welke reden de werknemer mogelijk buiten de boot zou zijn gevallen bij de toekenning van de bonus over 2006. Het gerechtshof oordeelt dan ook dat de werknemer aanspraak heeft op de bonus over 2006.

Om procedures als deze te vermijden, is het dus van belang dat afspraken over de beëindiging van het dienstverband, waaronder de financiële voorwaarden, duidelijk en ondubbelzinnig op papier worden gezet.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Matthijs Hoekstra of met mr. Jelle van Roeyen.

< Naar overzicht