"Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het aanbrengen van het reclamedoek eenvoudig en zonder veel kosten weer ongedaan gemaakt kan worden."

Toestemming nodig voor reclame-uitingen op winkelgevel?

In welke gevallen moet een huurder toestemming vragen aan de verhuurder om reclame-uitingen op de gevel van het gehuurde aan te brengen?

Deze vraag stond centraal in een kwestie die tot een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft geleid. In deze zaak gaat het om een huurder die een winkel in zitmeubelen exploiteert. Het gehuurde is gelegen op een ‘retailpark’ met diverse grootschalige winkels, met name op het gebied van meubels. Omdat diverse andere huurders op het retailpark reclame-uitingen op hun gevel hadden, en de huurder niet wilde dat zijn gevel ondergeschikt zou zijn aan die van de omliggende winkels, heeft hij daaraan een reclamedoek van 25 x 5 meter bevestigd. Ook heeft hij twee grote raamstickers met reclame op de ruiten geplakt. Hij heeft hiervoor geen toestemming van de verhuurder gekregen. De verhuurder heeft de huurder dan ook gesommeerd om de reclame te verwijderen en – omdat de huurder niet aan de sommatie voldeed – uiteindelijk zowel het reclamedoek als de sticker zelf verwijderd.

De huurder is vervolgens een procedure gestart waarin hij – kort gezegd – heeft gevorderd de verhuurder te veroordelen het reclamedoek en de stickers te gedogen, althans hem een machtiging te verlenen deze aan te brengen, althans te verklaren voor recht dat het aanbrengen daarvan is toegestaan. Ook heeft de huurder een schadevergoeding gevorderd. De verhuurder heeft een eis in reconventie (een tegenvordering) ingesteld, namelijk een verklaring voor recht dat het aanbrengen van reclamemateriaal aan de buitenzijde van het gehuurde in strijd is met artikel 7:215 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Ook vorderde de verhuurder een schadevergoeding en een contractuele boete. De vorderingen van de huurder zijn door de kantonrechter afgewezen en die van de verhuurder deels toegewezen. De huurder gaat tegen het vonnis in hoger beroep.

In hoger beroep draait het met name om artikel 7:215 BW, waarin staat:

De huurder is niet bevoegd de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd.

Volgens de verhuurder had de huurder op grond van voornoemd artikel zijn toestemming nodig, maar volgens de huurder is de ‘tenzij bepaling’ van toepassing omdat de reclamedoeken en stickers zonder noemenswaardige kosten kunnen worden verwijderd.

De parlementaire geschiedenis geeft meer duidelijkheid over de vraag wanneer nu sprake is van ‘noemenswaardige kosten’ ( MvT 26 089):

Met de wending ‘zonder noemenswaardige kosten’ is aangegeven dat een eventuele verwijdering van de veranderingen of toevoegingen zo eenvoudig dient te zijn, dat het geen kosten of zo geringe kosten meebrengt dat deze voor de verhuurder geen redelijk argument opleveren om tegen het aanbrengen ervan bezwaar te maken.”

Zo wordt het aanbrengen van wandspiegels met schroeven waarvan de gaten naderhand moeten worden dichtgestopt gezien als niet noemenswaardig. Het schilderen van de buitengevel weer wel, aangezien dat slechts ongedaan kan worden gemaakt door de gehele gevel over te schilderen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het aanbrengen van het reclamedoek eenvoudig en zonder veel kosten weer ongedaan gemaakt kan worden. Hoewel gering ten opzichte van de huurprijs kunnen de onderhavige kosten verbonden aan het verwijderen van het reclamedoek (meer dan € 1.000,-), als objectief gegeven (dus zonder deze af te zetten tegen de huurprijs, de looptijd van de huur en de verstrekte bankgarantie) niet worden aangemerkt als voor de verhuurder ‘geen of zonder noemenswaardige kosten’. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het volgens de verhuurder twee uur kost met twee personen om het reclamedoek te verwijderen en wellicht een hoogwerker nodig is. Daarnaast  zijn er herstelkosten. Daarmee is het reclamedoek niet eenvoudig verwijderbaar te noemen. Voor het plaatsen van een dergelijk doek is dus vooraf toestemming nodig van de verhuurder. Dit ligt anders bij de raamstickers, aangezien die er eenvoudig af te trekken zijn zonder een spoor achter te laten. Hiervoor had de huurder dus geen toestemming nodig.

Uit deze uitspraak blijkt dat er vooral wordt gekeken naar de mogelijke kosten, eventuele schade en het benodigde herstel aan het pand bij het aanbrengen van dergelijke reclame-uitingen. De grootte, opzichtigheid en maatschappelijke onwenselijkheid is niet of minder van belang.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Lizelotte de Hoog of mr. Joke Mikes.

 

< Naar overzicht