"Daarbij is ook van belang dat de vergunning voor het tijdelijk afwijken via een eenvoudigere procedure kan worden verleend, die met minder waarborgen is omkleed dan de procedure voor het afwijken voor een periode langer dan tien jaar."

Tijdelijk afwijken bestemmingsplan; moet rekening worden gehouden met eerdere vrijstelling?

In artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het tijdelijk afwijken van een bestemmingsplan, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Het voordeel van deze tijdelijke afwijking is dat de vergunning via een eenvoudigere procedure kan worden verleend dan de vergunning voor afwijking van het bestemmingplan voor een periode langer dan tien jaar. In dat laatste geval kan de vergunning worden verleend op grond van artikel 2.12 aanhef en onder a onder 3° Wabo.

Voordat de regeling uit het Bor gold, kende de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening in artikel 17 de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 17 WRO was de duur van de afwijking echter beperkt tot 5 jaar.

Als op basis van artikel 17 WRO reeds een tijdelijke vrijstelling van 5 jaar is toegestaan, voor welke periode mag dan nog met een beroep op artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Bor worden afgeweken van het bestemmingsplan? Die vraag diende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) recent te beantwoorden.

Het ging hier om de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan in verband met een tijdelijk winkelcentrum te Rosmalen. Het college van B&W van ’s-Hertogenbosch had na afloop van de tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 17 WRO een vergunning verleend op basis van artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Bor voor nog eens tien jaar.

Volgens de Rechtbank Oost-Brabant was dit niet mogelijk. De vergunning kon slechts worden verleend voor zover de totale tijdsduur voor de afwijking van het bestemmingsplan niet meer dan tien jaar bedraagt. Nu de oude vrijstelling op grond van artikel 17 WRO op 8 juli 2008 was verleend, kon de vergunning op grond van het Bor slecht worden verleend tot 8 juli 2018.

De zaak werd vervolgens voorgelegd aan de Afdeling. De Afdeling overweegt dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat de termijn van tien jaar begint op de datum waarop de strijdige bouw of het strijdige gebruik een aanvang neemt. Daarbij is ook van belang dat de vergunning voor het tijdelijk afwijken via een eenvoudigere procedure kan worden verleend, die met minder waarborgen is omkleed dan de procedure voor het afwijken voor een periode langer dan tien jaar. Het enkele feit dat er in het Bor geen overgangsrecht is opgenomen, wil ook niet zeggen dat voor bestaande afwijkingen van het bestemmingsplan een nieuwe aanvangsdatum in het leven werd geroepen. Dit zou er namelijk toe leiden dat de totale duur van de afwijking langer zou kunnen zijn dan de door de wetgever beoogde periode van tien jaar, door middel van een procedure met minder rechtswaarborgen.

De Afdeling komt dus ook tot de conclusie dat de termijn van tien jaar is aangevangen door verlening van de eerste vrijstelling op 8 juli 2008. Tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan is dus slechts mogelijk tot 8 juli 2018.

Overigens blijkt uit de uitspraak dat er inmiddels een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 eerste lid aanhef en onder a onder 3° Wabo is aangevraagd voor het instandhouden van het winkelcentrum tot 8 juli 2023. Het is dus denkbaar dat er voor een langere periode mag worden afgeweken van het bestemmingsplan. Daarvoor geldt dan echter wel een andere procedure die met meer waarborgen is omkleed.

Wilt u meer weten over de mogelijkheid van het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan? Neem gerust contact op met mr. Carolien de Snoo-Verhage of mr. Paul Adriaanse

< Naar overzicht