"Het feit dat de vastgoedondernemer beschikte over een omgevingsvergunning voor de bouw van het complex, waartegen de omwonenden geen bezwaar hadden gemaakt, vond de rechter niet van doorslaggevend belang."

Overlast door studenten leidt tot afbraak studentencomplex

Een vastgoedondernemer heeft een bedrijf dat zich richt op beleggingen in vastgoed. In haar portefeuille heeft zij een pand in Groningen met in de tuin een garage. Deze garage is omringd door de tuinen van omliggende panden. De door deze eigenaar aangevraagde omgevingsvergunning – een vergunning om op de garage drie etages te mogen bouwen – wordt door de gemeente Groningen verleend. Door omwonenden is daartegen geen bezwaar gemaakt. Pas tijdens de bouw zijn omwonenden gaan protesteren en hebben zij geëist dat de bouw zou worden gestaakt. Na voltooiing van de bouw, nemen 16 studenten hun intrek in de kamers van het (nieuwe) studentencomplex.

De studenten veroorzaken ernstige overlast, althans zo ervaart een aantal omwonenden dat. De overlast bestaat onder meer uit de gestalde fietsen en geluidsoverlast tot diep in de nacht. Verder is omwonenden door de bouw het uitzicht op de binnentuinen ontnomen en kijken zij nu op een blinde muur van de uitbouw. Dit vormt volgens de omwonenden een troosteloos uitzicht en geeft hen een beklemmend gevoel. De functie en het gebruik van het balkon van een aantal omwonenden is vanwege de opbouw in aanzienlijke mate verloren gegaan. Van de overlast is bij het gemeentelijk meldpunt een dik dossier bekend.

De rechter oordeelt dat met de bouw van het complex een situatie is gecreëerd die onafwendbaar overlast met zich brengt voor omwonenden en dat deze overlast het rechtstreeks gevolg is van het feit dat het complex direct achter de bestaande bebouwing is opgetrokken. Verder vindt de rechter de hinder onrechtmatig, omdat licht, lucht en uitzicht wordt weggenomen door de opbouw.

Het feit dat de vastgoedondernemer beschikte over een omgevingsvergunning voor de bouw van het complex, waartegen de omwonenden geen bezwaar hadden gemaakt, vond de rechter niet van doorslaggevend belang. Daarbij speelt een rol dat niet is gebleken dat de belangen van omwonenden en de kans op overlast zijn meegewogen bij de vergunningverlening.

De rechter oordeelt in zijn vonnis dat de opbouw, bestaande uit de drie etages met studentenwoningen, moet worden afgebroken, zodra het vonnis van de rechtbank definitief is doordat de termijn van hoger beroep ongebruikt is verstreken. Het vonnis is – met andere woorden – niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de onomkeerbare gevolgen die afbraak met zich meebrengt. De rechter bepaalt verder dat de vastgoedondernemer een dwangsom van maximaal € 200.000,- verbeurt indien hij niet aan het vonnis voldoet.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Joke Mikes of mr. Lizelotte de Hoog.

< Naar overzicht