"De rechtbank vindt het handelen van de gemeente onrechtmatig omdat vooraf de schadelijke gevolgen van een positieve verandering in het rioolstelsel niet zijn geregeld"

Onrechtmatig handelen van gemeenten bij wateroverlast

De grillige weersomstandigheden zorgen ook voor een vrij constante stroom aan jurisprudentie over wateroverlast. De rechtbank Gelderland heeft vrij recent een opmerkelijke uitspraak het licht doen zien waaruit blijkt dat de burger, in haar visie, mag rekenen op een actieve(re) overheid als schade niet te voorkomen is en de wateroverlast niet behoort tot het normaal maatschappelijk risico.

De casus

De rechtbank kwam tot haar oordeel nadat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een (tussentijds) hoger beroep had vastgesteld dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een aanpassing aan het rioolstelsel uit te (laten) voeren, zonder daarbij met eisers een regeling te treffen die het hen financieel mogelijk maakte hun eigendom aan te passen of anderszins in hun financiële belangen tegemoet te komen. Het hof heeft op basis van het (proces)dossier vastgesteld dat de gemeente weliswaar in het belang van een betere waterhuishouding een aanpassing aan het riool had gedaan, maar dat eisers daardoor in circa 15 jaar tijd, tot zeven maal toe met wateroverlast van serieuze omvang zijn geconfronteerd. Het hof komt op die basis tot de conclusie dat eisers als gevolg van een aanpassing in het algemeen belang schade lijden en dat die schade door de gemeente moet worden vergoed.

De kernvraag in de procedure, ook bij het hof, was of het handelen van de gemeente in het kader van het beheer van het rioolstelsel (en het aanleggen van een persleiding die vervolgens op het riool werd aangesloten) onevenredig nadeel aan eisers heeft toegebracht dat uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij vindt het hof het niet van belang of het riool dan wel de persleiding op zichzelf gebrekkig was, maar is het onrechtmatig handelen gelegen in het feit dat de gemeente geen, althans onvoldoende, aandacht heeft gehad voor het feit dat, ten gevolge van deze verbetering in het algemeen belang, door enkelen schade werd geleden (het égalitébeginsel).

Het oordeel

De rechtbank blijkt, in de uitspraak van 17 mei 2017, nog een stapje verder te gaan dan het hof door expliciet aan te geven dat het uitblijven van een adequate financiële regeling ter preventie van (schade door) wateroverlast onrechtmatig was. Het ging in dit geval om een situatie in 1997 en de rechtbank meent dat niet alleen schade als gevolg van het toentertijd niet preventief handelen van de gemeente om de wateroverlast in feitelijke of financiële zin ongedaan te maken moet worden vergoed, maar ook de schade die vanaf 1997 daardoor is ontstaan, zoals vertragingsschade en andere (gevolg)schade. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat het indertijd feitelijk mogelijk was om de immissie van water te voorkomen.

Over de stelling van de gemeente dat er geen causaal verband zou bestaan tussen het niet aanbieden van “nadeelcompensatie” en de gestelde schade, zegt de rechtbank het volgende:

“Het door het hof aangenomen causale verband tussen de wateroverlast en de aanleg van de persleiding, gecombineerd met de hierboven gedane vaststelling dat het in 1997 technisch mogelijk was om de gebleken immissie van water te verhoeden en er dus een regeling had kunnen worden getroffen die het [eisers] financieel mogelijk zou hebben gemaakt hun woning en/of hun perceel hierop op een doeltreffende manier aan te passen, doet het door de Gemeente genegeerde causale verband immers ook vaststaan.”

De rechtbank vindt het handelen van de gemeente onrechtmatig omdat vooraf de schadelijke gevolgen van een positieve verandering in het rioolstelsel niet zijn geregeld.

De rechtbank redeneert dat 1) de wateroverlast van deze enkelen niet behoort tot het normaal maatschappelijk risico, 2) de gemeente, door in zo’n geval geen adequate regeling te treffen, onrechtmatig nalaat jegens enkelen, 3) pas achteraf kan worden vastgesteld of het normaal maatschappelijk risico is overschreden, 4) het niet zo is dat de onrechtmatigheid pas na een bepaald moment plaats vindt, maar dat de onrechtmatigheid is gegeven met het niet treffen van een adequate regeling vooraf. Vandaar dat de rechtbank het ook niet juist vindt om een door de gemeente bepleitte aftrek wegens “normaal maatschappelijk” risico toe te passen. “De aansprakelijkheid is immers niet gegrond op overschrijding van een bepaalde mate van maatschappelijk risico, maar gegeven de overschrijding daarvan, op het niet treffen van een adequate regeling.”

Conclusie

De moraal van het verhaal is dat een overheid bij het treffen van maatregelen, die evident in het algemeen belang zijn en ook voldoen aan de rechtmatigheidstoets c.q. aan de norm van de opstalaansprakelijkheid, zich toch moet afvragen of er niet onrechtmatig wordt gehandeld ten opzichte van individuen door zich niet vooraf rekening te geven van mogelijke schadelijke gevolgen van deze positieve ontwikkeling voor één of enkelen. Als die gevolgen worden genegeerd, kan het rechtmatige handelen als onrechtmatige daad worden gekwalificeerd.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Jan Jacobse of mr. Ronald Pieterse.

< Naar overzicht