"Ook door aan te sluiten bij de Wet WOZ blijft de gemeente binnen de aan haar verleende vrijheid."

Ongelijke behandeling bij rioolheffing?

Gemeenten kunnen bij eigenaren en/of gebruikers van vastgoed dat is aangesloten op de riolering, rioolheffing in rekening brengen. De bevoegdheid tot het heffen van rioolheffing is opgenomen in artikel 228a Gemeentewet. Aan de gemeenten is veel ruimte gelaten om te bepalen hoe de rioolheffing wordt vormgegeven. Zo mag de gemeente zelf bepalen wie moet betalen (de eigenaar of de gebruiker of beiden), wat de grondslag is voor de heffing en welke maatstaf wordt gehanteerd. De gemeente dient dit uit te werken in een belastingverordening.

De gemeente Steenwijkerland heeft er voor gekozen om, voor de bepaling van het object van de rioolheffing, aan te sluiten bij de afbakening van onroerende zaken zoals opgenomen in artikel 16 van de Wet WOZ. Dat wil zeggen dat ook een gedeelte van een eigendom, dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, als onroerende zaak wordt aangemerkt. Bij elkaar horende samenstellen van (gedeelten van) eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn, worden als één onroerende zaak aangemerkt.

De eigenaar van een loods, die door middel van verplaatsbare scheidingswanden onder te verdelen is, heeft in 2013 zeven aanslagen voor het eigenarendeel van de rioolheffing opgelegd gekregen. De eigenaar is het hier niet mee eens, en stelt dat sprake is van discriminatie. De belastingverordening bepaalt namelijk dat voor zover het gaat om de afbakening van recreatieterreinen een uitzondering geldt. Een recreatieterrein kan als één onroerende zaak worden aangemerkt, ook als voor de daarop aanwezige recreatiewoningen of stacaravans afzonderlijke gebruikers zijn aan te wijzen. Volgens de eigenaar van de loods bestaat er geen rechtvaardiging voor het feit dat de loods wordt aangemerkt als meerdere onroerende zaken, terwijl een recreatieterrein als één onroerende zaak wordt aangemerkt.

De eigenaar van de loods heeft hierover geprocedeerd tot aan de Hoge Raad. Die overweegt dat de Gemeentewet de ruimte biedt om de rioolheffing “met een zekere ruwheid” vorm te geven. Eerder heeft de Hoge Raad al geoordeeld dat de heffingsmaatstaf niet gerelateerd hoeft te zijn aan de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd, of aan de omvang van de daardoor opgeroepen kosten. In het recente arrest overwoog de Hoge Raad dat de gemeente geen onderscheid hoeft te maken naar de waarde van de onroerende zaak. Het is dus volgens de Hoge Raad aanvaardbaar dat de eigenaar van een grote onroerende zaak een zelfde bedrag moet betalen als de eigenaar van een kleine onroerende zaak. Ook door aan te sluiten bij de Wet WOZ blijft de gemeente binnen de aan haar verleende vrijheid. De gemeente heeft voor aansluiting bij de Wet WOZ gekozen vanuit praktisch oogpunt, zo kan zij namelijk een gezamenlijke objectadministratie voeren. Dit vormt de rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van de eigenaar van de loods en de eigenaar van een recreatieterrein. Het discriminatieverbod voert niet zover dat de gemeente de bijzondere regeling voor recreatieterreinen ook naar analogie zou moeten toepassen voor de eigenaar van de loods bij de rioolheffing. De gemeente maakt dus volgens de Hoge Raad geen inbreuk op het verbod van discriminatie uit artikel 1 van de Grondwet en de eigenaar van de loods moet gewoon zeven keer de heffing betalen.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Carolien de Snoo-Verhage of mr. Paul Adriaanse.

< Naar overzicht