"Een goed geredigeerde samenlevingsovereenkomst is onontbeerlijk."

Ongehuwd samenleven: vrijheid blijheid?  Aflevering terugvordering hypotheekrente

Enkele tientallen jaren geleden kwam ongehuwd samenleven nagenoeg niet voor. Partners gingen pas samenleven vanaf de dag dat zij in het huwelijksbootje stapten. De wet volgde deze situatie en stelde van allerlei regels over trouwen en over echtscheiding. Over de verbreking van een samenleving werd niets geregeld. De tijden zijn veranderd. In Nederland leven inmiddels bijna een miljoen mensen ongehuwd samen. Je zou zo denken dat de wet daar inmiddels op is aangepast. Niets is echter minder waar. De verbreking van een samenleving leidt tot tal van juridische problemen, omdat de wet ter zake nog steeds geen regeling geeft. In een reeks artikelen staan wij stil bij enkele van deze problemen. Eerder stonden we al stil bij het onderwerp partneralimentatie. In dit artikel staan we stil bij de vraag of de ene partij van de andere partij hypotheekrente kan terugvorderen als de samenleving is geëindigd.

Stelt u zich de volgende feiten eens voor: Twee partijen gaan samenwonen zonder samenlevingscontract. Na enige tijd kopen zij samen een huis, dat onder meer betaald wordt door een hypothecaire lening. Beide partijen werkten toen nog en betaalden beiden de helft van de hypotheekrente. Na de geboorte van een kind spreken partijen met elkaar af dat de vrouw zal stoppen met werken om voor het kind te zorgen. Na enkele jaren loopt de relatie stuk. De man vordert van de vrouw betaling van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering vanaf het moment dat de vrouw was gestopt met werken en dus niet meer kon bijdragen in de helft van de hypotheekrente.

Ongetwijfeld zal een aantal van u de vordering van de man oneerlijk of onredelijk vinden. Gevoelsmatig valt daar wel wat voor te zeggen, maar juridisch gezien heeft de man echter een sterke vordering. Is namelijk sprake van samenlevers zonder samenlevingscontract en kopen zij samen een woning, dan ontstaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. Uitgangspunt is dat de aandelen van beiden gelijk zijn en dat ieder recht heeft op de helft van de waarde van – in dit geval – de woning. Wat betreft de kosten die verband houden met de woning volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 11 oktober 1991, dat het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW op deze situatie van toepassing is. In dit artikel staat: “De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.”. De vraag op welke wijze moet worden vastgesteld welk gedeelte van de schuld de medeschuldenaar aangaat, wordt door het artikel niet aangegeven. Daarover is uitvoerig geprocedeerd in de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2012.

In deze zaak had het Hof ’s-Gravenhage geoordeeld dat partijen voor de helft moesten meedelen in de kosten van de hypotheek en premie levensverzekering. Dit leidde het hof af uit de externe verhouding van partijen ten opzichte van de bank en de verzekeraar. Het hof nam de door de vrouw aangevoerde stilzwijgende overeenkomst, die een afwijking van het beginsel dat er een draagplicht voor gelijke delen bestaat zou rechtvaardigen, niet aan. Het hof leek het nodig te vinden dat min of meer expliciete afspraken worden gemaakt. Volgens het hof was de gelijke draagplicht zoals die gold voor de geboorte van het kind niet gewijzigd doordat de vrouw was gestopt met werken. Deze keuze van de vrouw kwam, aldus het hof, uitsluitend voor haar rekening en risico.

De Hoge Raad oordeelde dat in gevallen als deze beoordeeld moet worden of en zo ja welke afspraken er tussen partijen zijn gemaakt ten aanzien van de betaling en draagplicht van de hypotheekrente die een afwijking van de wet met zich brengen. Volgens de Hoge Raad zijn alle omstandigheden van belang en kan ook acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen.

Het gevolg is dat in zaken als deze niet tot uitgangspunt moet worden genomen dat sprake is van stilzwijgende afspraken op grond waarvan geen betalingsverplichting van (meestal) de vrouw ten opzichte van de man kan worden aangenomen. Dit zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het betreffende geval beoordeeld dienen te worden. Oftewel; de partij die blijft werken en de lasten blijft betalen kan zich beroepen op de wet en de partij die minder gaat werken om voor de kinderen te zorgen zal zich moeten uitputten in de opsomming en het bewijs van omstandigheden waaruit blijkt dat partijen de bedoeling hebben om van de wet af te wijken. U zal kunnen begrijpen dat dat niet eenvoudig is.

Kort en goed: een goed geredigeerde samenlevingsovereenkomst is onontbeerlijk.

Als een samenlevingsovereenkomst al enige tijd geleden is gesloten, is het verstandig om eens te bezien of die nog actueel is. Dat is zeker verstandig indien de omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst zijn gewijzigd, bijvoorbeeld indien er kinderen zijn geboren en één van de partners minder is gaan werken. Wij zijn graag bereid om samen met u te beoordelen of de tekst van uw samenlevingsovereenkomst nog aan de vereisten voldoet.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Chris van de Merbel of mr. Joke Mikes.

< Naar overzicht