"Het gerechtshof is er volgens de Hoge Raad ten onrechte ervan uitgegaan dat de door de Hoge Raad in zijn beslissing van 9 oktober 2015 neergelegd oordeel slechts “in beginsel” geldt."

Kindgebonden budget is inkomen dat altijd meetelt bij de berekening van kinderalimentatie: een uitspraak van Meden en Perzen

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden, als gevolg waarvan het kindgebonden budget werd verhoogd en een zogenoemde alleenstaande ouderkop werd geïntroduceerd. De zogenaamde Trema-normen, aan de hand waarvan alimentatie normaliter werd vastgesteld, bepaalden dat in het kader van de berekening van de kinderalimentatie rekening moest worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. De in dat kader ontvangen bedragen moesten in mindering worden gebracht op de behoefte van het kind. Deze berekeningswijze leidde tot veel kritiek, omdat het in veel gevallen zo bleek te zijn dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop hoger waren dan de behoefte van het kind. Dat betekende dan dat beide ouders, volgens de Trema normen, niet meer in de kosten van het kind hoefden te voorzien. Dat werd onacceptabel geacht; ouders zijn er immers om voor hun kinderen te zorgen, ook in financiële zin.

De Hoge Raad haalde een streep door de genoemde Trema-normen en oordeelde op 9 oktober 2015 dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

De vraag waarover de Hoge Raad in zijn uitspraak 3 maart 2017 moest oordelen is of de uitspraak van 9 oktober 2015 altijd geldt of dat, als de omstandigheden daar aanleiding toe geven, daarvan afgeweken kan of moet worden. Het gerechtshof had geoordeeld dat de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 er toe leidt dat het kindgebonden budget dat de vrouw ontving niet in mindering diende te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige maar, inclusief de alleenstaande ouderkop (in beginsel) bij het inkomen van de vrouw moet worden opgeteld. Vervolgens oordeelde het gerechtshof dat dat in het onderhavige geval niet redelijk was, gelet op de omstandigheid dat de vrouw (die het kindgebonden budget ontving) een uitkering op grond van de Participatiewet en bijzondere bijstand ontving.

De man is het met dit oordeel niet eens en legt de zaak aan de Hoge Raad voor. De Hoge Raad oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw degene is die het kindgebonden budget ontvangt, zodat het gerechtshof deze omstandigheid in aanmerking had moeten nemen bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw. Het gerechtshof is er volgens de Hoge Raad ten onrechte ervan uitgegaan dat de door de Hoge Raad in zijn beslissing van 9 oktober 2015 neergelegd oordeel slechts “in beginsel” geldt.

De Hoge Raad oordeelt dus dat zijn eerdere uitspraak van 9 oktober 2015 een “uitspraak van Meden en Perzen” is en dat de regeld dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, strikt dient te worden uitgelegd.

Betaalt u kinderalimentatie en ontvangt uw ex-partner kindgebonden budget? Dan is het verstandig om te laten onderzoeken of het door u betaalde bedrag nog wel voldoet aan de maatstaven. Wij zijn graag bereid om samen met u dit onderzoek te verrichten. Neemt u gerust contact op met mr. Chris van de Merbel of mr. Joke Mikes.

< Naar overzicht