"Die intrekking kan echter niet zomaar gebeuren. Er moet sprake zijn van één of meer van de wettelijke intrekkingsgronden zoals die zijn geformuleerd in art. 2.33 van de Wabo. "

Kan een uitgewerkte omgevingsvergunning worden ingetrokken?

Een uitgewerkte omgevingsvergunning kan achteraf nog worden ingetrokken, maar alleen op basis van limitatief in de wet opgesomde intrekkingsgronden

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deed recent een interessante uitspraak over het intrekken van omgevingsvergunningen. Een bewoner van een voormalige bedrijfswoning bij een varkenshouderij had aan het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) verzocht de voor de varkenshouderij verleende vergunning in te trekken. De bewoner (hierna: verzoeker) stelde ontoelaatbare geurhinder van de varkenshouderij te ondervinden. Het college wees het verzoek af. In eerste instantie stelde het college dat het verzoek niet-ontvankelijk was, omdat de vergunning al was gebruikt en uitgewerkt. In tweede instantie wees het college het verzoek af omdat de wet (art. 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) geen grondslag zou bieden voor de intrekking van de vergunning.  

Het ging in dit geval om een vergunning die in het verleden was verleend op grond van de Hinderwet. Als gevolg van wijzigingen in de toepasselijke wet- en regelgeving, moest die vergunning ten tijde van het intrekkingsverzoek gelijk worden gesteld aan de huidige omgevingsvergunning beperkte milieutoets in de zin van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo. Dat is kort gezegd een simpele omgevingsvergunning zonder voorschriften, die slechts tot doel heeft dat het bevoegd gezag (meestal de gemeente) een bepaalde activiteit toetst, voordat het bedrijf ermee begint.

De Afdeling stelt in de uitspraak eerst het (proces)belang van verzoeker vast. Dat belang is erin gelegen dat intrekking van de verleende vergunning zou kunnen leiden tot handhaving. Als de in het verleden verleende vergunning wordt ingetrokken, heeft dat volgens de Afdeling namelijk tot gevolg dat de varkenshouderij moet worden geacht zonder vergunning te zijn opgericht of gewijzigd. Er kan dan dus handhavend worden opgetreden tegen het zonder vergunning verrichten van activiteiten. Of de genoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets dan alsnog kan worden verleend, is volgens de Afdeling niet op voorhand vast te stellen.

Vervolgens oordeelt de Afdeling in algemene zin dat de enkele omstandigheid dat vergunde activiteiten al zijn uitgevoerd, intrekking van de vergunning niet uitsluit, mits daarvoor gronden bestaan. De Afdeling verwijst daarbij naar eerdere uitspraken, waarin zij al bepaalde dat een vergunning voor het bouwen van bouwwerken ook na voltooiing van de bouwwerken nog kan worden ingetrokken (zie bijv. ABRvS 29 februari 2012). Die intrekking kan echter niet zomaar gebeuren. Er moet sprake zijn van één of meer van de wettelijke intrekkingsgronden zoals die zijn geformuleerd in art. 2.33 van de Wabo. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat intrekking van de vergunning noodzakelijk is, omdat er ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu of de fysieke leefomgeving veroorzaakt worden en waarvoor redelijkerwijs geen andere oplossing bestaat.

De Afdeling maakt in deze uitspraak verder duidelijk dat de opsomming van intrekkingsgronden in art. 2.33 Wabo limitatief is. Dat betekent volgens de Afdeling dat andere gronden voor intrekking zijn uitgesloten, tenzij de intrekking bedoeld is als sanctie op een overtreding. De rechter kan de lijst met intrekkingsgronden niet aanvullen. Dat is de taak van de wetgever.

Op basis daarvan was de uitkomst in de onderhavige zaak dat het intrekkingsverzoek uiteindelijk terecht bleek te zijn afgewezen. De in art. 2.33, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo geformuleerde grond voor intrekking (namelijk ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door een inrichting of mijnbouwwerk), bleek niet van toepassing te zijn. De varkenshouderij kon niet kon worden aangemerkt als een zodanige inrichting.

Voor de praktijk maakt deze uitspraak in het algemeen wel duidelijk dat, ook als een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en al is uitgewerkt, rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de vergunning later alsnog wordt ingetrokken. Voor die intrekking moet dan wel een uitdrukkelijke basis bestaan in één van de in art. 2.33 Wabo genoemde gronden.

Heeft u vragen over dit onderwerp of in het algemeen over een omgevingsvergunning? Neemt u dan gerust contact op met mr. Paul Adriaanse of mr. Carolien de Snoo-Verhage.

< Naar overzicht