"De rechtbank overweegt dat op de grondroerder een resultaatsverplichting en geen inspanningsverplichting rust."

Kabels en leidingen en de bescherming door de WION

Het onderwerp kabels en leidingen komt met grote regelmaat voorbij in de bouwpraktijk en dus ook in de jurisprudentie. Publiekrechtelijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 1 februari 2017, met verwijzing naar haar uitspraak van 20 april 2016, overwogen dat een gemeenteraad niet verplicht is om een omgevingsvergunning te vragen voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het onderhoud of beheer van aanwezige leidingen en het aanleggen van drainage. De Afdeling heeft daarbij aangegeven dat het stelsel van de verplichte KLIC-melding op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: ‘WION’) voldoende waarborgen biedt om de veiligheid te garanderen. De Afdeling heeft daar in de meest recente uitspraak aan toegevoegd dat Provinciale Staten in het kader van een Inpassingsplan niet zijn gehouden om een aanlegvergunningenstelsel op te nemen voor mechanische graafwerkzaamheden als bedoeld in de WION.

Uit het voorgaande blijkt dat de bescherming door (het stelsel van) de WION voldoende wordt geacht, zelfs als het om hoogspanningskabels gaat. Toch gaat het nogal eens mis, zo blijkt uit civielrechtelijke rechtspraak.

Op een ‘grondroerder’ rust een zorgplicht om zorgvuldig de ligging van de in een graaflocatie aanwezige kabels en leidingen vast te stellen. Daarvoor moet de grondroerder een KLIC-melding doen. Indien uit de tekeningen die de grondroerder naar aanleiding van die melding ontvangt blijkt dat zich in de graaflocatie kabels of leidingen bevinden, dient de grondroerder die te lokaliseren. Deze zorgplicht is vastgelegd in artikel 2 van de WION. In een recent gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Overijssel d.d. 15 juni 2016 ging het om de vraag of Grontmij als grondroerder aan haar zorgplicht had voldaan. In dit geval waren de graafwerkzaamheden onder leiding van Grontmij uitgevoerd, is door haar de KLIC-melding gedaan en zijn de resultaten ook door haar verwerkt. Grontmij heeft bovendien proefsleuven laten graven en besproken welke kabels uitgezet dienden te worden. Ze heeft echter niet gecontroleerd of het hele graafgebied kabelvrij was aan de hand van de tekeningen en een feitelijke lokalisatie.

Toen de graafwerkzaamheden werden uitgevoerd is een kabel geraakt die niet was gemarkeerd met piketpalen. De rechtbank overweegt dat op de grondroerder een resultaatsverplichting en geen inspanningsverplichting rust. Alle kabels en leidingen hadden door de grondroerder dus feitelijk moeten worden gelokaliseerd. Bijzonder is dat de rechtbank ook de (onder)aannemer aanmerkt als grondroerder. De rechtbank leidt uit de memorie van toelichting bij de WION af dat meerdere partijen kunnen voldoen aan het begrip ‘grondroerder’. In een dergelijk geval rust dus op meerdere partijen de verplichting om te voldoen aan de bepalingen uit de WION.

Veel civiele zaken gaan over de vraag tot hoever de zorgvuldigheid van de grondroerder nu precies moet gaan. Die kwestie was ook aan de orde bij een recent door het Gerechtshof Amsterdam gewezen arrest. Ondanks een KLIC-melding en twee proefsleuven met een onderlinge afstand van circa 75 cm, was bij het slaan van een damwand een kabel geraakt. Het is daarbij van belang op te merken dat de kabel op het punt waar de schade is ontstaan een afwijkende ligging ten opzichte van de tekening had van tussen 1,02 en 1,12 m en binnen anderhalve meter van de graaflocatie lag. Het Hof neemt daarbij aan dat de oude damwand door de toentertijd ingeschakelde aannemer over de kabel is geplaatst, zonder dat de kabelbeheerder (Liander) dat wist.

Liander stelt zich op het standpunt dat de onderzoeksplicht van een grondroerder meebrengt dat zij niet kan volstaan met het lokaliseren van een kabel op één en evenmin op twee punten maar dat zij zich ervan dient te vergewissen hoe de kabel precies loopt over het hele tracé waar de grondroerder wil gaan graven (daaronder begrepen, zoals in dit geval, de damwand slaan). Ter ondersteuning van deze stelling betoogt Liander dat het voor de Nutsbeheerder niet mogelijk is om KLIC-tekeningen aan te leveren die zo nauwkeurig zijn als de wetgever veronderstelt, dat wil zeggen dat nergens meer dan een meter afwijking optreedt.

In dit geval heeft het hof geoordeeld dat de aannemer weldegelijk voldoende zorgvuldig had gehandeld. Het hof benadrukt dat het hier gaat om een zeer casuïstisch oordeel. Het ging immers om de renovatie van een al bestaande damwand met daaronder een kabel. Daarnaast had de aannemer proefsleuven gegraven op een afstand van 75 cm van elkaar. Bij beide trof de aannemer de kabel aan op de plaats waar deze ook volgens de tekening diende te liggen. De schade is vervolgens ontstaan op een afstand van een paar meter van die laatste sleuf. De schade kon ontstaan omdat de kabel daar ter plaatse toch onder de oude damwand bleek door te lopen. De tekening voldeed op dat punt niet aan de nauwkeurigheid die de aannemer op grond van de BION mocht verwachten. Er waren voor de aannemer geen concrete aanwijzingen dat de tekening in dit geval mogelijk niet aan de eisen zou voldoen (bijvoorbeeld wegens recente terreinveranderingen of bekende obstakels in de grond).

Al met al rust op de grondroerder(s) een vrijwel absolute zorgplicht die moet leiden tot het resultaat dat de kabels en leidingen daadwerkelijk worden gelokaliseerd. Wil een aannemer zich disculperen dan zal er sprake moeten zijn van een heel bijzondere situatie die de aannemer dan ook aannemelijk moet maken. Alleen op deze wijze kan het stelsel van de WION voldoende bescherming bieden.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Jan Jacobse of mr. Ronald Pieterse.

< Naar overzicht