"De wetsgeschiedenis wijst uit dat de opstalhouder bij bedrijfsmatig gebruik aansprakelijk kan zijn ‘op grond van een eigenschap van de opstal die deze gezien het gebruik ervan onveilig doet zijn’"

Onlangs heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat onder meer gevolgen heeft voor het risicomanagement bij bedrijven die een opstal gebruiken – of laten gebruiken (!) – voor bedrijfsmatig gebruik.

Er was brand uitgebroken in een bedrijfsgebouw als gevolg van kortsluiting in een vrachtauto die stond geparkeerd in een van de units van dat gebouw. Huurders van meerdere andere units hebben hierdoor schade geleden. De huurders stelden vervolgens niet alleen de eigenaar van de vrachtauto aansprakelijk, maar ook de huurder van de unit waarin de vrachtauto geparkeerd stond (en waarin de brand was uitgebroken). De desbetreffende huurder was een transportbedrijf.

In cassatie kwam de aansprakelijkheid van de eigenaar van de vrachtauto onherroepelijk vast te staan. Voor de uitleg van de opstalaansprakelijkheid gaan we wat dieper in op het oordeel van de Hoge Raad over de positie van het transportbedrijf dat de unit huurde waarin de vrachtauto in brand vloog.

De huurders hadden zich ter onderbouwing van de claim tegen het transportbedrijf beroepen op artikel 6:181 van het Burgerlijk Wetboek. Hierin staat dat de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal rust op degene die deze gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, tenzij het ontstaan van de schade niet met de bedrijfsuitoefening in verband staat. De huurders hadden onder meer aangevoerd dat de unit onvoldoende brandwerende voorzieningen had.

Het gerechtshof had geoordeeld dat het transportbedrijf niet aansprakelijk was. De reden daarvoor was dat door de huurders niet voldoende was toegelicht wat het verband was tussen het ontstaan van de brand (de kortsluiting) en de bedrijfsuitoefening van het transportbedrijf .

De huurders zagen wel degelijk een oorzakelijk verband tussen de brand en de bezigheden van het transportbedrijf. De huurders hebben daarom cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad is vervolgens in de wetsgeschiedenis gedoken en heeft de jurisprudentie bekeken die tot nu toe over bedrijfsmatige opstalaansprakelijkheid is verschenen. De Hoge Raad overweegt dat aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige opstalhouder aan de orde is als de opstal gezien het gebruik dat hiervan wordt gemaakt, onveilig is.

De wetsgeschiedenis wijst uit dat de opstalhouder bij bedrijfsmatig gebruik aansprakelijk kan zijn ‘op grond van een eigenschap van de opstal die deze gezien het gebruik ervan onveilig doet zijn’.

Verder werkt de Hoge Raad een eerder door hem gegeven oordeel over opstalaansprakelijkheid nader uit (X Beheer/Edco). Voor het ontbreken van aansprakelijkheid van degene die in de opstal een bedrijf uitoefent, was uit hoofde van dat arrest nodig en toereikend dat tussen het ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat. De Hoge Raad heeft dit criterium gewijzigd in: dat ‘nodig en toereikend is dat tussen het bestaan of ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat’.

Verder geeft de Hoge Raad aan dat het gerechtshof had moeten onderzoeken of inderdaad sprake was van onvoldoende brandwerende voorzieningen in de unit. Ook had onderzocht moeten worden of er voldoende verband bestaat tussen de verwezenlijking van het hierdoor ontstane brandgevaar en de bedrijfsuitoefening. Dat het gerechtshof alleen had gekeken naar de kortsluiting en de bedrijfsuitoefening van het transportbedrijf, was dus volgens de Hoge Raad onvoldoende. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat het arrest niet goed was gemotiveerd, voor zover het gerechtshof had bedoeld dat er geen verband bestond tussen de verwezenlijking van het gevaar dat was verbonden aan het ontbreken van voldoende brandwerende voorzieningen, en de bedrijfsuitoefening.

De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof vervolgens vernietigd en heeft de zaak ter verdere behandeling terugverwezen naar een ander gerechtshof.

Een opstalhouder (dit kan ook een verhuurder of huurder zijn) dient ervoor te zorgen dat de opstal, gelet op het gebruik dat hiervan wordt gemaakt, veilig (genoeg) is. Een bedrijf dat een door haar gebruikte opstal ter beschikking stelt aan een andere onderneming kan, zo volgt uit het arrest, jegens derden aansprakelijk zijn voor schade die niet direct door hem is veroorzaakt, maar (mede) door de onveiligheid van de opstal. Dat laatste is, zo volgt ook uit het arrest, aan de orde als de bedrijfsuitoefening van de opstalhouder verband houdt met het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt.

De opstalhouder kan zijn risico’s beheersen door het maken van deugdelijke contractuele afspraken met gebruikers van zijn opstal. Onder meer kan daarbij worden gedacht aan garanties over (bijvoorbeeld) het te maken gebruik, uitsluiting van, en vrijwaring voor aansprakelijkheid.

In de relatie tot schadelijdende derden (in dit geval de huurders van de nabijgelegen units) zijn die afspraken echter in beginsel niet relevant. Behalve in geval van een overeengekomen derdenbeding zijn contractuele afspraken immers uitsluitend relevant in de verhouding tussen de contractspartijen. In het kader van risicobeheersing kan het afsluiten van een adequate verzekering uiteraard ook niet onvermeld blijven. Uitkering onder de polis is echter niet altijd vanzelfsprekend, en kan afhankelijk zijn van de polisvoorwaarden. Blind varen op een verzekering is dus niet altijd verstandig.

Kortom, gelet op dit recente arrest van de Hoge Raad is een analyse van de gebruiksveiligheid van de opstallen aan te raden. Verder vormt het arrest aanleiding om met het gebruik van de opstal verband houdende overeenkomsten te toetsen op het punt van de verdeling van de risico’s van schade en aansprakelijkheid. Natuurlijk informeren wij u graag over de mogelijkheden.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of met mr. Joke Mikes.

< Naar overzicht