"Hoewel in dit geval mogelijk aanleiding bestond om een principiële uitspraak te doen over de re-integratiewerkgever heeft de Hoge Raad zich daartoe niet willen laten verleiden."

Hoge Raad niet inhoudelijk aan de slag met re-integratiewerkgever

In een eerdere editie van onze nieuwsbrief berichtten wij u over de vraag of een werknemer na een dienstverband bij een re-integratiewerkgever recht had op een werkloosheidsuitkering. Kort en goed was het oordeel van de Centrale Raad van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: ‘CRvB’) dat re-integreren geen ‘arbeid’ is als er geen ‘echt’ werk wordt gedaan. Het begeleid worden naar een nieuwe functie was volgens de CRvB op zichzelf niet voldoende om als echt werk te kwalificeren. De werknemer had dan ook geen recht op een werkloosheidsuitkering.

De re-integratiewerkgever is tegen de uitspraak in cassatie gekomen bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inmiddels beoordeeld, en als beloofd komen wij er nu bij u op terug.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 december 2016 geoordeeld dat hetgeen de re-integratiewerkgever heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de CRvB, niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep is daarom zonder inhoudelijke behandeling verworpen.

De Hoge Raad buigt zich normaliter onder meer over principiële zaken of zaken waarin iets nieuws aan de hand is waardoor een uitspraak niet meer in stand kan blijven. Zo is een verblijf in ‘De Gouden Kooi’ volgens de CRvB bijvoorbeeld aan te merken als arbeid, terwijl de dienstbetrekking in die zaak a-typisch was. Dat oordeel heeft de Hoge Raad in stand gelaten. Hoewel in dit geval mogelijk aanleiding bestond om een principiële uitspraak te doen over de re-integratiewerkgever heeft de Hoge Raad zich daartoe niet willen laten verleiden. De Hoge Raad legt de bal daarmee neer bij de lagere instantie, de CRvB.

Wat nu?  

Het ligt voor de hand dat de rechtsontwikkeling op dit punt vooralsnog wordt overgelaten aan de lagere rechtspraak. Bij de beantwoording van de vraag of gedurende de contractuele relatie tot de re-integratiewerkgever sprake is geweest van het verrichten van arbeid, als bedoeld in het kader van de privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet, zullen de omstandigheden van het individuele geval naar verwachting steeds opnieuw worden onderzocht.

Het begeleid worden naar nieuw werk vanuit oud werk zal gezien de overeind gebleven uitspraak van de CRvB in beginsel niet volstaan om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van ‘arbeid’.

Als er geen arbeid wordt verricht, dan bestaat geen privaatrechtelijk dienstverband. De betrokkenen bij een re-integratiewerkgever doen er goed aan om na te denken hoe de onderlinge rechtsverhouding wordt ingevuld als een voormalig werknemer om welke reden dan ook vanuit het oude werk via een re-integratiewerkgever aan nieuw werk zou kunnen worden geholpen. Met de nadruk op ‘ingevuld’, want de letter van het contract is gezien de uitspraak van de CRvB niet leidend.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of mr. Matthijs Hoekstra.

< Naar overzicht