"Gelet op dit arrest heeft de legessanctie een ruimer bereik dan voorheen soms werd aangenomen."

Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente bestemmingsplannen op stellen. Deze bestemmingsplannen dienen elke 10 jaar geactualiseerd te worden.

Artikel 3.1 lid 4 Wro bepaalt dat indien na verloop van 10 jaar geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld dan wel geen verlengingsbesluit is genomen, de “bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan” vervalt. Hiermee is bedoeld dat het college van B&W voor het in behandeling nemen van een omgevingsvergunning die verband houdt met het verouderde bestemmingsplan geen leges mag invorderen. Dit wordt ook wel de legessanctie genoemd.

In de praktijk kwam het voor dat gemeenten toch leges in rekening brachten indien het een vergunning betrof voor het afwijken van het bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Zo ook in de gemeente Zevenaar. Het college van B&W bracht voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan een bedrag van € 8606,90 in rekening, ondanks het feit dat de termijn voor het actualiseren van het bestemmingsplan was verstreken.

De Hoge Raad oordeelde recent dat deze handelswijze in strijd is met artikel 3.1 lid 4 Wro, en heeft de reikwijdte van de legessanctie uitgelegd.

Allereerst blijkt uit het arrest dat de legessanctie niet alleen ziet op het innen van leges, maar ook op het heffen daarvan.

Voor de toepassing van de legessanctie is volgens de Hoge Raad bepalend dat de tienjaarstermijn is verstreken ten tijde van het belastbare feit, namelijk het in behandeling nemen van de vergunningaanvraag. Dat ten tijde van de vergunningverlening het bestemmingsplan inmiddels is geactualiseerd, zoals het college van B&W van de gemeente Zevenaar naar voren bracht, doet aan de toepasselijkheid van de legessanctie niet af.

Het college stelde ook dat de legessanctie alleen geldt voor aanvragen voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten in overeenstemming met het bestemmingsplan. Nu het hier ging om een vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, was de legessanctie niet van toepassing volgens het college. De Hoge Raad oordeelde echter dat ook vergunningen voor activiteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan, verband houden met het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 lid 4 Wro.

Voorts legt de Hoge Raad uit dat het in behandeling nemen van de aanvraag als één dienst moet worden aangemerkt. Het splitsen van de leges in bijvoorbeeld de activiteiten i) buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan, ii) welstandsbeoordeling en iii) bouwactiviteit brengt hier geen verandering in. Dat werkzaamheden van verschillende aard moeten worden verricht en verschillende toetsingskaders moeten worden gehanteerd, is volgens de Hoge Raad niet van belang.

Gelet op dit arrest heeft de legessanctie een ruimer bereik dan voorheen soms werd aangenomen. Het niet tijdig actualiseren van een bestemmingsplan kan dus voor gemeenten grote(re) financiële gevolgen hebben! Eens te meer reden voor de gemeenten om de geldigheidsduur van bestemmingsplannen nauwlettend in de gaten te houden. Voor burgers die te maken krijgen met een legesheffing kan het lonen na te gaan hoe oud het bestemmingsplan was ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag. Was het bestemmingsplan ouder dan 10 jaar, dan kan de burger zich onder verwijzing naar artikel 3.1 lid 4 Wro en deze uitspraak met succes verzetten tegen betaling van die leges.

Meer weten? Neem contact op met mr. Carolien de Snoo-Verhage of mr. Paul Adriaanse.

< Naar overzicht