"Het Gerechtshof Den Bosch en het Gerechtshof Den Haag hanteerden hierin elk een eigen lijn, terwijl het in beide gevallen ging om de exploitatierechten voor het plaatsen van buitenreclame"

In drie recente blogs (Grensoverschrijdend belang, de hoven zijn het niet eens!, Grensoverschrijdend belang: the story continues en Daadwerkelijke belangstelling uit het buitenland niet vereist voor het aannemen van een grensoverschrijdend belang!) hebben wij aandacht besteed aan de vraag wanneer er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang dat ertoe leidt dat er een passende mate van openbaarheid in acht genomen moet worden bij de aankondiging van het voornemen tot het sluiten van een concessieovereenkomst.

Het Gerechtshof Den Bosch en het Gerechtshof Den Haag hanteerden hierin elk een eigen lijn, terwijl het in beide gevallen ging om de exploitatierechten voor het plaatsen van buitenreclame. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat een reële mogelijkheid van buitenlandse belangstelling voldoende is om een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te nemen. Het Gerechtshof Den Bosch meende echter dat er voldoende concrete feiten moesten worden gesteld en aannemelijk moest worden gemaakt dat er daadwerkelijk interesse vanuit het buitenland zou zijn.

Afgelopen vrijdag 18 mei 2018 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de twee cassatieprocedures die zijn ingesteld naar aanleiding van het oordeel van zowel het Gerechtshof Den Bosch als het Gerechtshof Den Haag.

De Hoge Raad zoekt in dat verband aansluiting bij het Tecnoedi-arrest van het Hof van Justitie EU. De Hoge Raad stelt in lijn met dat arrest, dat een duidelijk grensoverschrijdend belang met name kan blijken uit de economische waarde van de opdracht, in onderlinge samenhang met de plaats van uitvoering, de specifieke kenmerken van de opdracht en alle andere relevante omstandigheden. Het gaat daarbij, aldus de Hoge Raad, niet om cumulatieve vereisten. Volgens de Hoge Raad kan het enkele feit dat er sprake is van een substantieel economisch belang van de opdracht onder omstandigheden voldoende zijn om sprake te laten zijn van een duidelijk grensoverschrijdend belang.

Verder stelt de Hoge Raad dat voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet vereist is dat vast komt te staan dat buitenlandse marktpartijen daadwerkelijk belangstelling voor de opdracht hebben getoond. Dat een buitenlandse partij concrete belangstelling voor de opdracht heeft, kan echter wel een relevante – en dus mee te wegen – omstandigheid zijn volgens de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt daarbij nog dat de concrete belangstelling van een buitenlandse partij voor de opdracht ook daaruit kan blijken, dat die buitenlandse partij die wenst te verwerven via een lokale dochtervennootschap. Het enkele feit dat de lokale dochtervennootschap belangstelling voor de opdracht heeft getoond, brengt echter nog niet mee dat deze moet worden aangemerkt als belangstelling van de buitenlandse moeder. Er moeten dus bijkomende omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de buitenlandse moeder concrete belangstelling voor de opdracht heeft.

Met deze arresten heeft de Hoge Raad duidelijke richtsnoeren gegeven voor beantwoording van de vraag of er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang en heeft zij dus licht in de duisternis gebracht.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Edwin Bregonje of mr. Jan Willem van Koeveringe.

< Naar overzicht