"De wettelijke verplichting om scholing aan te bieden is door de werkgever niet voldoende nageleefd en daarom kan de werknemer die de juiste diploma’s niet heeft behaald, niet worden ontslagen. "

Hoe ver reikt de verplichting tot het aanbieden van scholing?

Op 10 mei 2017 heeft de kantonrechter te Amersfoort uitspraak gedaan op het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst met een werknemer te ontbinden omdat hij niet over de juiste diploma’s beschikte. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen. Wat speelde er precies in deze zaak?

De werknemer is sinds 2001 in dienst van de werkgever als senior relatiebeheerder. De werkgever is actief als assurantietussenpersoon, makelaar onroerend goed, gecertificeerd taxateur en als adviseur op het gebied van financiën. De werkgever en zijn werknemers vallen dan ook onder het bereik van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Met ingang van 1 januari 2014 zijn er nieuwe regels van kracht op grond waarvan adviseurs en bemiddelaars uiterlijk 1 januari 2017 in het bezit moeten zijn van zogeheten adviseursdiploma’s. Van 1 januari 2014 tot 1 januari 2017 geldt een overgangsregeling waarbij eerder behaalde diploma’s kunnen worden omgezet in adviseursdiploma’s zonder dat daarvoor een volledig examen hoeft te worden afgelegd.

De werkgever heeft een van zijn werknemers er meerdere malen op gewezen dat het een vereiste is dat hij een aantal Wft-diploma’s behaalt. De werkgever heeft de werknemer meegedeeld dat, als hij niet tijdig over de vereiste diploma’s beschikt, het dienstverband wordt beëindigd. Werknemer heeft de vereiste diploma’s niet voor 1 januari 2017 behaald. Werkgever verzoekt de kantonrechter dan ook om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op de zogenaamde e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten) en subsidiair op de h-grond (andere omstandigheden die ertoe leiden dat in redelijkheid de arbeidsovereenkomst dient te eindigen).

De kantonrechter stelt in zijn uitspraak eerst vast dat de werkgever er zorg voor diende te dragen dat per 1 januari 2017 de werknemers die zich bezighouden met advisering beschikken over de relevante diploma’s. Tussen partijen staat vast dat werknemer per 1 januari 2017 niet over de vereiste diploma’s beschikte, zodat werkgever werknemer vanaf die datum op grond van de Wft niet langer advieswerkzaamheden mag laten verrichten. De vraag is nu of het niet behalen van de diploma’s geldt als verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dan wel of de omstandigheid dat hij niet over de vereiste diploma’s beschikt onder de h-grond valt.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de inspanningen die werkgever heeft verricht om te bereiken dat werknemer de diploma’s zou behalen, beperkt zijn gebleven tot sommaties en brieven, het ter beschikking stellen van studiematerialen en het een enkele keer toesturen van inlogcodes van het opleidingsinstituut. Werkgever heeft toegelicht dat haar andere werknemers de diploma’s hebben behaald door studie in de avonduren en door waar nodig een vrije dag op te nemen. De werkgever vindt dat redelijk, aangezien een dergelijke studie ook een investering in jezelf is. De kantonrechter kijkt daar echter anders tegenaan. Uit artikel 7:611a BW, waarin de verplichting tot het aanbieden van scholing is opgenomen, volgt namelijk dat de werkgever de werknemer in staat had moeten stellen om de noodzakelijke scholing te volgen. Die verplichting volgt bovendien ook uit de  Wft, waarin is bepaald dat de dienstverlener zorg draagt voor de vakbekwaamheid van zijn werknemers. Het enkel vergoeden van de opleidingskosten is dan ook niet voldoende. De werkgever is daarnaast gehouden om de noodzakelijke organisatorische maatregelen te treffen voor de noodzakelijke scholing van de werknemer, zoals het ter beschikking stellen van reguliere arbeidstijd voor studieactiviteiten. De werkgever heeft in dit geval niet aan de verplichtingen van artikel 7:611a BW voldaan, en daarmee de werknemer onvoldoende in staat gesteld de noodzakelijke scholing te volgen. Het niet behalen van de relevante diploma’s kan volgens de kantonrechter daarom niet als verwijtbaar handelen van werknemer worden bestempeld.

Ter onderbouwing van het op de h-grond gestoelde verzoek stelt werkgever – kort gezegd – dat de omstandigheid dat werknemer zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen met zich brengt dat redelijkerwijs niet van werkgever gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. Ook dit argument slaagt niet. Ter zitting is namelijk gebleken dat werknemer tussen het moment waarop hij op non-actief is gesteld, te weten rond 15 maart 2017, en de dag van de zitting de eerste twee voor hem relevante Wft-diploma’s heeft behaald. Hij heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij nog twee aanvullende diploma’s nodig heeft om zijn reguliere werkzaamheden te verrichten en dat hij verwacht die binnen een vergelijkbaar kort tijdsbestek te kunnen halen. De werknemer is dus op korte termijn weer volledig inzetbaar, zodat er geen sprake is van een zodanige situatie dat redelijkerwijs niet van werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter komt tot de conclusie dat er geen redelijke grond voor opzegging is, en dat het dienstverband in stand dient te blijven.

Kortom, het enkel aanbieden en betalen van scholing is volgens de kantonrechter onvoldoende. De werkgever dient de werknemer daarnaast in staat te stellen om tijdens werktijd te kunnen studeren.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Matthijs Hoekstra of mr. Tilly Neve-van der Leden.

< Naar overzicht