"Had de tweede controle op netvliesloslating eerder moeten plaatsvinden?"

Hoe deskundig moet een oogarts zijn?

In een treurige zaak wordt een te vroeg geboren kind blind als gevolg van netvliesloslating. De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is, of het ziekenhuis waarbij het kind in behandeling was, aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de netvliesloslating. Bij de beoordeling van medische aansprakelijkheid is het van belang om onderscheid te maken tussen normering van de feiten en het uitgaan van hypotheses. In het recente arrest van de Hoge Raad over de netvliesloslating komt dit mooi naar voren.

Het meisje werd op 25 juni 1996 gecontroleerd op netvliesloslating. Omdat haar pupillen niet (meer) wijd waren, is de controle mislukt. Op 9 juli 1996 is een hercontrole uitgevoerd. Tijdens deze hercontrole heeft de oogarts besloten een spoedbehandeling uit te voeren. De spoedbehandeling heeft op 10 juli 1996 plaatsgevonden. De netvliesloslating werd hiermee echter niet verminderd. Uiteindelijk is het meisje blind geworden.

De ouders vorderen (mede namens hun dochter) een schadevergoeding van het ziekenhuis op grond van onrechtmatige daad. Zij stellen zich op het standpunt dat de hercontrole eerder dan op 9 juli 1996 plaats had dienen te vinden, en dat de kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan door een te late hercontrole. Daarbij geven zij aan dat het niet wijd worden van pupillen een indicatie kan zijn van een ernstige vorm van netvliesloslating. Nadat de rechtbank en het hof de vorderingen hebben afgewezen, zijn de ouders bij de Hoge Raad uitgekomen.

Het hof had de vorderingen afgewezen, omdat het hof uit de verklaring van een deskundige afleidde dat deze arts de hercontrole een week na de mislukte controle (2 juli) zou hebben verricht en een vervolgcontrole weer een week later (9 juli), zodat er geen sprake is van enig kansverlies. De verklaring werd als maatstaf genomen voor wat een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts zou doen. Dat er mogelijk wel sprake is van enig kansverlies als wordt uitgegaan van een optimale behandeling, achtte het hof niet relevant, omdat volgens het hof de norm waaraan getoetst wordt niet de optimaal handelende oogarts was, maar de redelijk handelend en redelijk bekwame oogarts.

In zijn arrest van 23 december 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof hiermee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

De Hoge Raad licht, kort gezegd, toe dat de rechter eerst dient te beoordelen of de oogarts de hercontrole te laat heeft uitgevoerd en dus of al dan niet heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam oogarts. Ten onrechte is het hof daarbij niet ingegaan op de stelling van de eisers, dat het heronderzoek op kortere termijn had moeten plaatsvinden dan het geval is geweest, waarbij zij hebben aangevoerd dat niet wijd wordende pupillen een indicatie zijn van netvliesloslating.

Daarna pas, dient in verband met de berekening van de schade, een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending (dus de blindheid) en de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest zonder normschending. Voor de hypothetische situatie dat wel tijdig zou zijn geopereerd, dient dan niet te worden aangehaakt bij wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts zou hebben gedaan, maar bij de behandeling die feitelijk zou hebben plaatsgevonden zonder normschending.

De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, dat de zaak met deze aanwijzingen opnieuw zal afdoen. Wij houden u op de hoogte!

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of mr. Lizelotte de Hoog.

< Naar overzicht