"Een non-concurrentie- en/of relatiebeding kan nietig zijn ten aanzien van een latere arbeidsverhouding tussen de voormalig gedetacheerde en de organisatie aan wie hij eerder werd gedetacheerd."

Geldt artikel 9a Wet Allocatie Arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) ook wanneer werkzaamheden worden voortgezet als ZZP’er?

Artikel 9a bepaalt dat degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan derden (bijv. detachering) geen belemmeringen in de weg legt voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat elk beding dat in strijd is met deze bepaling nietig is, tenzij dat beding betrekking heeft op een vergoeding die verschuldigd is door –kort gezegd-  de inlener aan de uitlener. Maar wat als er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst tot opdracht met een ZZP’er?

Op 14 april 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat een uitgebreide uitleg geeft over de toepassing van artikel 9a van de Waadi. Het ging –kort gezegd- om de volgende casus.

Feiten

Eiser was een BIG-geregistreerde GGZ-verpleegkundige die al vóór 2010 op basis van detachering enkele dagen werkzaam was in een huisartsenpraktijk.

Daarnaast had hij een arbeidsovereenkomst met Stichting Autisme Almere (STAA). Deze arbeidsovereenkomst werd uitgebreid en de detachering aan de huisartsenpraktijk vond daarna plaats via STAA.

Op 1 januari 2014 is de betreffende verpleegkundige fulltime en voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij FOH waarbij de detachering aan de huisartsenpraktijk vanaf dat moment via FOH liep. Ook werd de verpleegkundige ingezet bij een psychiatriepraktijk.

In de arbeidsovereenkomst met FOH was een non-concurrentie- en relatiebeding (hierna “het beding”) opgenomen. Per 1 juni 2015 heeft de verpleegkundige zijn arbeidsovereenkomst opgezegd omdat zijn werkgever zich in zijn visie niet goed gedroeg; er zou sprake zijn van fraude. Hij richtte vervolgens een eenmanszaak op en ging verder onder de naam “Eigenwijs herstel”.

Bij brief van 5 juni 2015 richtte FOH zich tot de verpleegkundige omdat hij een dienstverband zou willen aangaan met Ambulant Begeleiding Het Spectrum B.V. te Amersfoort en dat zou in strijd zijn met het beding.

Op 30 juni 2015 zegde de huisartsenpost de detacheringsovereenkomst met FOH op en ging de verpleegkundige als ZZP’er inhuren.

FOH verrekende alle bedragen waarop de verpleegkundige op basis van zijn arbeidsovereenkomst nog recht had met de in haar visie verschuldigde boetes wegens overtreding van het beding. Dit leidde tot de gerechtelijke procedure.

De gerechtelijke procedure

In deze zaak was sprake van meerdere situaties. De verpleegkundige ging als ZZP’er concurrerende werkzaamheden verrichten voor een organisatie aan wie hij niet eerder was uitgeleend. Daarnaast ging hij als ZZP’er concurrerende werkzaamheden verrichten bij organisaties (zoals de huisartsenpost) aan wie hij wel eerder was uitgeleend.

De vraag die beantwoord moest worden, was of de verpleegkundige als ZZP’er ook een beroep kon doen op de belemmeringswetgeving (Waadi) en zodoende dezelfde bescherming genoot als wanneer hij als werknemer deze concurrerende werkzaamheden was gaan verrichten bij bedrijven waar hij eerder was gedetacheerd. In dat verband moest ook beoordeeld worden of het beding nietig was.

Vastgesteld werd dat het beding zijn gelding behield ten aanzien van de bedrijven waar de verpleegkundige niet eerder gedetacheerd was geweest. Voor wat betreft de bedrijven waar hij wel eerder was gedetacheerd, lag dat anders.

De Hoge Raad nam op basis van het bovenstaande tot uitgangspunt dat de verpleegkundige krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam was voor FOH en dat in zijn geval sprake was van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten door FOH in de zin van de Waadi. De verpleegkundige viel daardoor ten aanzien van de bedrijven aan wie hij eerder was gedetacheerd onder het beschermingsbereik van het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi. De relatie tussen de verpleegkundige als ZZP’er en de bedrijven waar hij eerder was gedetacheerd, zou gezien kunnen worden als een arbeidsverhouding waarvoor naar het oordeel van de Hoge Raad het belemmeringsverbod ook geldt. Een en ander zal na verwijzing verder moeten worden onderzocht door het Hof.

De algemene conclusie van deze uitspraak is dat een non-concurrentie- en/of relatiebeding nietig kan zijn ten aanzien van een latere arbeidsverhouding tussen de voormalig gedetacheerde en de organisatie aan wie hij eerder werd gedetacheerd.

In de blog van mr. Tilly Neve-van der Leden wordt dieper ingegaan op deze uitspraak. Mocht u meer willen weten over de gedachtegang van de Hoge Raad en de relevante Europese jurisprudentie, lees dan ook de blog over dit onderwerp. Uiteraard kunt u eveneens contact op nemen met mr. Tilly Neve-van der Leden of mr. Matthijs Hoekstra.

< Naar overzicht