Franchisenemer van Rotterdamse patatketen wint kort geding

Een Rotterdamse franchisenemer is onlangs een kort geding begonnen tegen zijn franchisegever, die de franchiseovereenkomst had opgezegd. De franchisenemer was blijkens het onlangs verschenen vonnis sinds 1997 aan de keten verbonden. De franchiseovereenkomst was aangegaan voor 15 jaar en zou daarna steeds met vijf jaar worden verlengd, behoudens tijdige opzegging. Het contract bevat de bepaling dat opzegging door de patatketen slechts mogelijk is indien voortzetting van de relatie in redelijkheid niet meer van de franchisegever kon worden verlangd.

Op enig moment bood de franchisegever een nieuw contract aan voor het geval de franchisenemer de overeenkomst na afloop van de lopende termijn wenste voort te zetten. Het nieuwe contract bevatte nieuwe bepalingen, die, zo stelde de franchisenemer, zijn positie zouden verslechteren. Na enige communicatie heeft de franchisenemer te kennen gegeven het nieuwe contract niet te tekenen.

De franchisegever heeft daarop de overeenkomst opgezegd per de datum waarop de laatste contractstermijn zou aflopen, met als argument dat de franchisenemer de nieuwe overeenkomst niet wilde tekenen noch daarover in overleg wenste te gaan, zodat van de franchisegever in redelijkheid niet gevergd kon worden om de overeenkomst na de expiratiedatum te laten voortduren. De franchisenemer heeft in reactie hierop een kort geding aangespannen. Hij vorderde onder meer de veroordeling van de patatketen tot nakoming van de overeenkomst.

De voorzieningenrechter heeft onderzocht of de opzegging redelijk was en oordeelt dat het aan de franchisegever is om omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat van haar voortzetting van de overeenkomst niet kan worden verlangd. De patatketen voerde onder meer aan dat zij streeft naar uniformiteit en dat zij misstanden werkt in te perken zoals slechte omzetten en een gebrek aan hygiëne. De voorzieningenrechter oordeelt dat aan wijzigingen in de voorwaarden weliswaar soms dient te worden meegewerkt, maar dat dit gezien het contract slechts kan als een daadwerkelijke wijziging in het systeem dat in redelijkheid rechtvaardigt. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is gebleken dat de franchisenemer een gebrek aan omzet of hygiëne heeft. Verder is niet komen vast te staan dat de patatketen hierdoor problemen zou hebben ondervonden. De voorzieningenrechter stelt echter wel vast dat de franchisenemer diverse bepalingen uit het nieuwe contract heeft opgesomd die zijn positie inderdaad zouden kunnen verslechteren.

Als laatste communicatie over het nieuwe contract treft de voorzieningenrechter een e-mail van de franchisenemer aan waarin wordt aangeboden verder te onderhandelen. Gezien de zeer lange franchiserelatie had van de franchisegever mogen worden verwacht dat de mogelijkheid om verder te onderhandelen zou worden onderzocht. De franchisegever heeft echter slechts blijk gegeven van de wens om ofwel het nieuwe contract te tekenen, dan wel de relatie te beëindigen. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat van de patatketen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de overeenkomst voortduurt. Hij spreekt op straffe van dwangsommen onder meer het gebod uit om de samenwerking onverkort voort te zetten, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de nakoming van de franchiseovereenkomst.

Hoewel de Nederlandse Franchisecode (nog) meer normen voor redelijkheid in de samenwerking waarborgt, lijkt deze uitspraak wel in de geest daarvan te passen. Het is ten tijde van het schrijven van deze bijdrage niet bekend of hoger beroep in kort geding is ingesteld van dit vonnis, zodat onbekend is of het vonnis onherroepelijk is.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met ons Team Franchise.

< Naar overzicht