Franchisegever doet tevergeefs beroep op non-concurrentiebeding

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft in een recent vonnis geoordeeld dat franchisegever Bruna geen beroep toekomt op het met haar voormalige franchisenemer overeengekomen postcontractuele non-concurrentiebeding.

Partijen hadden een franchiseovereenkomst gesloten die vanaf 2012 was ingegaan. Uit hoofde van de franchiseovereenkomst exploiteerde de ondernemer een Bruna-winkel. Daarnaast was het hem toegestaan om in de winkelruimte een PostNL-punt te exploiteren, alsook een hoekje waarin CD’s, DVD’s en games werden verkocht. Tot slot was een andere hoek van de winkel bestemd als ruimte om pasfoto’s te maken. De ondernemer was met Bruna overeengekomen dat hij over de omzet op de CD’s, DVD’s en games geen franchisefee hoefde af te dragen.

In de franchiseovereenkomst stond een non-concurrentiebeding houdende een verbod om Bruna direct of indirect te beconcurreren, onder meer door betrokken te zijn bij concurrerende organisaties. Het verbod gold voor een jaar na afloop van de franchiseovereenkomst, overeenkomstig de geldende EU-regelgeving.

De ondernemer heeft Bruna vanaf 2015 in correspondentie laten weten de lopende franchiseovereenkomst na afloop van de overeengekomen contractduur van vijf jaar niet voort te willen zetten wegens ontevredenheid over maatregelen die zijn ondernemerschap naar zijn mening steeds verder inperkten. Aan het einde van het contract is de winkel van 29 juni t/m 2 juli 2017 gesloten geweest. Op maandag 3 juli 2017 is de winkel weer geopend. De volgende zaken waren veranderd:

  • de verhuurder heeft de huurovereenkomst met de franchisenemer beëindigd, en is een huurovereenkomst aangegaan met ‘bedrijf 2’ voor de duur van 1 jaar;
  • de (voormalig) franchisenemer heeft vijf personeelsleden voor 1 jaar gedetacheerd bij ‘bedrijf 2’;
  • op de pui van de winkel staan de namen van ‘bedrijf 2’ en ‘bedrijf 1’
  • in het winkelpand is aan de voorkant ‘bedrijf 2’ gevestigd, die concurrerende activiteiten ontplooit ten aanzien van Bruna;
  • aan de achterkant van de winkelruimte exploiteert de ondernemer middels ‘bedrijf 1’ zelfstandig een fotohok, en verkoopt hij DVD’s, games, cadeauartikelen en CD’s. Deze ruimte huurt hij van ‘bedrijf 2’ als een shop-in-shop;
  • de ondernemer heeft in de media expliciet medegedeeld dat het om twee separate winkels gaat.

Volgens Bruna handelde de franchisenemer in strijd met het non-concurrentiebeding. Zij vorderde nakoming van dit beding op last van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat Bruna niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorgaande handelwijze kwalificeert als ‘betrokkenheid van de ondernemer bij concurrerende activiteiten aan Bruna’. Dat de ondernemer ter voorkoming van het ontslag zijn vijf voormalige personeelsleden heeft gedetacheerd bij ‘bedrijf 2’, doet daaraan niet af, omdat de ondernemer heeft onderbouwd dat het personeel wordt aangestuurd door ‘bedrijf 2’ zodat hij daar buiten staat.

Een inspirerende casus voor franchisenemers die zich afvragen hoe zij gedurende een jaar na afloop van de franchiseovereenkomst creatief in hun inkomen kunnen voorzien!

Meer weten? Neemt u gerust contact op met ons Team Franchise.

< Naar overzicht