"Geschillen over de hoogte van de klantenvergoeding aan het einde van een agentuurovereenkomst komen regelmatig voor"

Een klantenvergoeding is niet vanzelfsprekend!

Bij het einde van een agentuurovereenkomst kan de handelsagent aanspraak maken op een klantenvergoeding. De Hoge Raad heeft recentelijk in een uitspraak verduidelijkt aan welke voorwaarden daartoe voldaan dient te zijn.

Een agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij (de agent) voor een andere partij (de principaal) voor een bepaalde of een onbepaalde termijn tegen beloning (provisie) bemiddelt bij de totstandkoming van overeenkomsten.

Aan het einde van een agentuurrelatie kan de principaal in de regel de door de agent aangebrachte klanten blijven bedienen. Om die reden is wettelijk geregeld dat de agent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst in beginsel recht heeft op een klantenvergoeding. Voorwaarden zijn (1) dat de handelsagent nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, (2) de overeenkomsten met die klanten de principaal na beëindiging van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen op zullen leveren en (3) de betaling van die klantenvergoeding billijk is, waarbij vooral gelet wordt op de voor de handelsagent verloren omzet uit de overeenkomsten met die klanten.

De omvang van die klantenvergoeding is vaak voer voor discussie tussen de principaal en de handelsagent. Zo ook in het onderhavige arrest. Wat was er aan de hand?

Online reisaanbieder Prijsvrij en reisorganisator Corendon waren in 2012 een agentuurovereenkomst aangegaan, op grond waarvan Prijsvrij als agent van Corendon (de principaal) Corendon-pakketreizen aanbood.

In juli 2013 zegde Corendon de agentuurovereenkomst op tegen eind oktober 2013.

Omdat partijen het niet eens werden over een door Corendon te betalen klantenvergoeding, stapte Prijsvrij naar de rechter en vorderde een klantenvergoeding van € 471.961. Deze vergoeding was berekend aan de hand van haar gemiddelde provisie op Corendon-reizen over een periode van twaalf maanden.

De kantonrechter in Haarlem wees de vordering van Prijsvrij toe. In hoger beroep zette het Gerechtshof Amsterdam echter een streep door de rekening: volgens het hof had Prijsvrij onvoldoende aanknopingspunten verstrekt om te kunnen vaststellen dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij bij het einde van de agentuurovereenkomst nog enig (duurzaam) voordeel kon ontlenen. Prijsvrij had weliswaar gesteld dat 25% van haar klanten herhaald boekingen uitvoert maar geen inzicht gegeven in de mate waarin reizigers bij het boeken van nieuwe reizen opnieuw voor Corendon zouden kiezen. Daar kwam bij dat Prijsvrij aan Corendon geen klantenbestand had gegeven met de NAW-gegevens van de klanten. Corendon kon dus ook geen voordeel uit deze klanten behalen door ze via marketingacties te benaderen, aldus het hof.

Prijsvrij legde zich hier niet bij neer en ging in cassatie bij de Hoge Raad.

In een eerder arrest uit 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat gelet op het feit dat de principaal een relatie heeft kunnen opbouwen met door de agent aangebrachte klanten of dat de relatie met bestaande klanten door de agent is geïntensiveerd, het aannemelijk is dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren. Het voordeel voor de principaal uit de eerste fase is dan ook gelegen in de mogelijkheid deze klanten na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven bedienen zonder daarover provisie aan de agent verschuldigd te zijn.

Dit voordeel wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de agent verdiende bruto provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten. Dit bedrag wordt vervolgens gecorrigeerd met factoren die zien op (1) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met de klanten kan ontlenen, (2) het verloop van het klantenbestand en (3) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die immers in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd die hij anders over een langere periode zou ontvangen.

In de onderhavige kwestie oordeelt de Hoge Raad dat, voordat aan de kwantificering uit de eerste fase kan worden toegekomen, de handelsagent eerst aannemelijk moet maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten. Pas nadat is vastgesteld dat die hobbel is genomen en dus duidelijk is dat de handelsagent inderdaad recht heeft op een klantenvergoeding, wordt toegekomen aan de kwantificering van die vergoeding.

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft Prijsvrij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Corendon nog aanzienlijke voordelen kan verwachten van de nieuwe of geïntensiveerde klantrelaties. Prijsvrij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat haar klanten hun keuze baseren op de touroperator en niet op de prijs. Ook kan Corendon zich geen (marketing)voordeel verschaffen met de klanten van Prijsvrij omdat zij niet over hun adresgegevens beschikt. Daarbij dient volgens de Hoge Raad tenslotte opgemerkt te worden dat de enkele omstandigheid dat klanten van Prijsvrij herhaalboekingen bij Corendon zouden kunnen doen, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van het vereiste, aan de inspanningen van Prijsvrij toe te rekenen, (aanzienlijke) voordeel.

Zoals hiervoor al is aangegeven, komen geschillen over de hoogte van de klantenvergoeding aan het einde van een agentuurovereenkomst regelmatig voor. Deze zaak toont aan dat een goede onderbouwing van de vordering van groot belang is.

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Edwin Bregonje of mr. Chris van de Merbel.

 

< Naar overzicht