"Pech voor eiser dat die derde test net werd gehouden op één van de drie dagen dat hij aardappels van mindere kwaliteit gebruikte, maar dat was het ook voor de klanten die toen friet bij hem afnamen."

De lekkerste friet, of toch niet?

Met de mediatisering van de wereld, waarbij eenieder zijn mening kan verkondigen via het wereldwijde web, neemt de relevantie van rechtspraak over vrije meningsuiting en persvrijheid toe. Dit leidt tot vermakelijke uitspraken, die evenwel richtinggevend kunnen zijn voor onze advisering.

De Eindhovense snackbar ‘De Pomp’ was in 2015 nog op de achtste plaats geëindigd van de friettest van het Algemeen Dagblad (AD). In 2016 eindigde de snackbar echter op de 16e plaats. De beoordeling van het AD luidde als volgt:

“Bij een derde bezoek laat tankstation de zaak liggen. Door tijdelijk overschakelen naar een andere aardappel is de friet redelijk, niet de top die we hier gewend zijn. Dat kost punten.”

De eigenaar van de snackbar is het daarmee niet eens en spant een kort geding aan waarbij hij (onder meer) eist dat het AD op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld om de uitslag te rectificeren en zijn snackbar alsnog een plek in de top 5 te geven. Verder vordert hij het AD te veroordelen de rectificatie op de voorpagina te plaatsen.

Ter onderbouwing stelt de patatbakker onder meer dat hij er gedurende het jaar werkelijk alles aan doet om de beste friet te verkopen. In de spelregels van het AD is volgens hem opgenomen dat er twee tests zullen plaatsvinden, in de periode van 1 t/m 18 maart 2016. Het AD heeft in strijd met de spelregels na die tijd een onaangekondigd derde bezoek gebracht aan (onder meer) de bovenste vijf van de voorlopige ranglijst. Juist tijdens dat derde (onaangekondigde) bezoek was het aardappelras Agria, dat normaliter in de snackbar wordt gebruikt, niet meer verkrijgbaar en was de snackbar dus genoodzaakt een aardappel van een minder goede kwaliteit te gebruiken. Hierdoor was volgens de frietboer sprake van een oneerlijke strijd, omdat het aannemelijk is dat de andere deelnemers ook minder goed uit de verf zouden zijn gekomen indien zij een derde keer zouden zijn getest (buiten de testperiode).

Het spoedeisend belang voor een kort geding onderbouwt de frietboer onder meer met de stelling dat een verbetering van zijn positie in de uitslag van de friettest leidt tot positieve reclame en meer omzet. Zijn belangen bij rectificatie zouden zwaarder wegen dan het belang van het AD bij vrijheid van meningsuiting.

Het AD verweert zich onder meer met de stelling dat in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1987 (Consumentenbond/Westerkamp Haweka BV) is uitgemaakt dat een instelling die ten behoeve van kopend publiek voorlichting geeft in beginsel de vrijheid heeft om zelf de methodes te bepalen waarmee een oordeel wordt gevormd. Bovendien is op de website van het AD aangegeven dat de testperiode ligt tussen 1 en 23 maart 2016. Verder stelt het AD niet verplicht te zijn om aan te kondigen dat er een derde test is.

De voorzieningenrechter overweegt dat toewijzing van de vorderingen van eiser de vrijheid van meningsuiting (de persvrijheid) van het AD zou inperken en dat dit slechts mogelijk is indien de uitlatingen van het AD onrechtmatig zouden zijn jegens de frietboer. De rechter oordeelt – samengevat – dat het AD een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de methode en de maatstaven van het te verrichten onderzoek en het de onderzoekers daarom vrij stond om nog een derde, onaangekondigde, test uit te voeren. Van de beste vijf mag bij uitstek constante kwaliteit worden verwacht en het was dan ook niet onredelijk of onzorgvuldig om alleen bij hen nog een derde test uit te voeren. Snackbar de Pomp viel buiten de vooraf bepaalde bandbreedte voor de top 5, omdat de kwaliteit die op 23 maart werd geleverd te sterk afweek van de eerdere kwaliteit van zijn friet. Pech voor eiser dat die derde test net werd gehouden op één van de drie dagen dat hij aardappels van mindere kwaliteit gebruikte, maar dat was het ook voor de klanten die toen friet bij hem afnamen, aldus de rechter. Volgens de voorzieningenrechter had de snackbar er ook voor kunnen kiezen bij gebrek aan aardappelen van zeer goede kwaliteit die dagen geen friet te verkopen. Verder overweegt de rechter dat de snackbar alsnog het eindcijfer 9 heeft behaald met de kwalificatie ‘zeer goed’, wat helemaal geen slecht resultaat is. Ook vanuit dat oogpunt kan het AD volgens de voorzieningenrechter geen onzorgvuldigheid worden verweten.

De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van het AD, en de vorderingen van de frietboer worden afgewezen.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Lizelotte de Hoog of mr. Mieke Verhoeff.

< Naar overzicht