"Dat begrip ‘takenpakket’ blijft ook bij lezing van deze uitspraak weer hangen. "

Bestuurdersaansprakelijkheid: ‘Wasn’t me!’-verweer niet kansloos, gelet op recent arrest Hoge Raad

Investeren in een resort met hotels en appartementen in de Dominicaanse Republiek: niet meteen iets waar je aan denkt als je veilig wilt beleggen. Toch worden voor dit soort projecten nog altijd (veel) particuliere investeerders gevonden, zoals in de hier te bespreken procedure het geval was.

Voelde u hem al aankomen? Het project ging niet door en het geïnvesteerde geld was verdwenen. 68 particuliere beleggers zochten daarom samen verhaal bij één van de bestuurders van de beleggingsvennootschappen, een grote onderneming die zich bezighoudt met administratieve- en managementservices (TMF).  

De Hoge Raad heeft zich naar aanleiding van deze kwestie uitgelaten over de vraag of het zogenaamde beginsel van de collegiale verantwoordelijkheid tot aansprakelijkheid van alle bestuurders voor onbetaalde schulden kan dienen. Het beginsel collegiale verantwoordelijkheid is vastgelegd in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en houdt in dat iedere bestuurder door de vennootschap kan worden aangesproken voor onbehoorlijk bestuur, óók als hij daar niet persoonlijk verantwoordelijk voor is. Het gaat daarbij dus om zgn. interne aansprakelijkheid. De vraag is nu of dit beginsel kan doorwerken in de verhouding tussen de bestuurders van de vennootschap en crediteuren van die vennootschap, als zij zich beroepen op een onrechtmatige daad van die bestuurders jegens hen. Met andere woorden: kan een bestuurder ten opzichte van een schuldeiser aansprakelijk zijn op basis van onrechtmatige daad, ook al is hij persoonlijk niet bij het onrechtmatig handelen betrokken geweest.

In het ‘Wasn’t me-arrest’, zoals we het voor het gemak even zullen noemen, is geoordeeld dat dit beginsel geen rol speelt als maatstaf bij de beoordeling van de vraag of een bestuurder heeft toegelaten of bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat een bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt namelijk dat voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in die hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld c.q. nagelaten en dat dit hem kan worden toegerekend. Een en ander tenzij de bestuurder uit hoofde van indirect bestuurderschap via artikel 2:11 BW aansprakelijk is (zie hierover ons eerdere nieuwsitem).

Relevant is verder dat de Hoge Raad niet meegaat in de redenering van de beleggers, dat voor bestuurders van vennootschappen die handelen in strijd met wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek, eerder dan bij andere normschendingen aansprakelijkheid op de loer ligt.

Het gevolg is dan ook dat de beleggers niet zullen slagen in hun poging om TMF als één van de bestuurders van de beleggingsvennootschappen aan te spreken voor hun verdwenen inleg in het project. De beleggers hebben namelijk niet kunnen aantonen dat TMF daarvan een persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.

Nadere beschouwing

Wetenswaardig is dat jurisprudentie over aansprakelijkheid van bestuurders ten opzichte van crediteuren op grond van onrechtmatige daad, wel kan doorwerken in de beoordeling van de interne verhoudingen als de vennootschap zich beroept op 2:9 BW. Op basis van deze uitspraak van de Hoge Raad geldt artikel 2:9 BW echter alleen in de interne vennootschapsrechtelijke verhoudingen.

Hoe verhoudt dit arrest zich tot de in eerdergenoemd nieuwsitem behandelde zaak, die ging over de rol van de taakverdeling tussen de indirecte bestuurders van een aansprakelijke vennootschap-bestuurder? In die zaak droegen de indirecte bestuurders het bewijsrisico ten aanzien van hun takenpakket. Dat begrip ‘takenpakket’ blijft ook bij lezing van deze uitspraak weer hangen.

Uit de argumenten in hoger beroep blijkt namelijk dat TMF heel goed heeft uitgelegd welke taken zij had en dat zij gelet op die taken, niet verantwoordelijk was voor het handelen van de vennootschap in strijd met financiële regelgeving. Had zij dat niet gedaan, dan is de vraag hoe de zaak zich bewijstechnisch zou hebben ontwikkeld en of haar zaak nog steeds zo sterk was geweest. Uit het hier besproken arrest van de Hoge Raad blijkt nl. dat de beleggers, die in deze zaak het bewijsrisico droegen, niet aannemelijk konden maken dat TMF een specifiek aan haar toebedeelde taak had, die anders was dan de door haar omschreven administratieve taken. Juist door zich enkel te bemoeien met de aan haar opgedragen administratie taken, kon TMF de dans ontspringen. Het takenpakket blijft dan ook naar onze mening een aandachtspunt bij de behandeling van bestuurdersaansprakelijkheidszaken.

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of mr. Matthijs Hoekstra.

 

< Naar overzicht