"De Hoge Raad wijst hierbij op artikel 2:11 BW, waarin is bepaald dat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder tevens rust op eenieder die ten tijde van het aansprakelijk vestigend handelen bestuurder was van die bestuurder-rechtspersoon."

Bestuurder in privé ook aansprakelijk ingeval van aansprakelijkheid van bestuurder-rechtspersoon

Op 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad een belanghebbend arrest gewezen over bestuurdersaansprakelijkheid.

De zaak ging over een bestuurder die activa had onttrokken aan een vennootschap, onder meer aan de hand van een geantedateerde sale and lease back overeenkomst. Nadien is de vennootschap failliet gegaan. Een van de crediteuren van de vennootschap heeft de bestuurder en de holding van de bestuurder vervolgens aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Geoordeeld was dat het hiervoor omschreven handelen van de holding van de bestuurder in ieder geval persoonlijk ernstig verwijtbaar was, waardoor de holding van de bestuurder schadeplichtig was aan de crediteur.

De Hoge Raad diende zich in het arrest uit te laten over de vraag of de aansprakelijkheid van de bestuurder in privé vaststaat, zodra is geoordeeld dat de onderliggende holding als bestuurder aansprakelijk is bevonden. Het gerechtshof had geoordeeld dat dit het geval is, waarna de bestuurder cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad.  De bestuurder beriep zich erop dat ten aanzien van hem nog separaat had dienen te worden onderzocht of hij persoonlijk ernstig verwijtbaar had gehandeld, en dat hij niet automatisch aansprakelijk was als zijn holding aansprakelijk was.

De Hoge Raad heeft het hof echter gevolgd in haar oordeel. De Hoge Raad wijst hierbij op artikel 2:11 BW, waarin is bepaald dat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder tevens rust op eenieder die ten tijde van het aansprakelijk vestigend handelen bestuurder was van die bestuurder-rechtspersoon. Het artikel heeft tot doel te voorkomen dat bestuurders zich achter een vennootschap kunnen verschuilen nadat zij ernstig verwijtbaar gehandeld hebben. De Hoge Raad geeft aan dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder daarom niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Wel tekent de Hoge Raad hierbij aan dat een bestuurder op wie de aansprakelijkheid na doorschakeling middels artikel 2:11 BW is komen te rusten, alsnog aan aansprakelijkheid kan ontkomen door te stellen en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de specifieke gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd.

Heeft een BV-opzet voor de aansprakelijkheidsbeperking nog wel zin?

Begrijpelijk is de vraag of de oprichting van een BV ten behoeve van de beperking van aansprakelijkheid van de ondernemer nog zin heeft . Dit heeft juridisch gezien nog steeds zin. Allereerst omdat een (rechtspersoon-)bestuurder nog altijd slechts aansprakelijk is uit hoofde van uitvoering van bestuurstaken, als is voldaan aan de hoge aansprakelijkheidsdrempel van het ‘persoonlijk ernstige verwijt’. Ten tweede, omdat in het arrest van de Hoge Raad is aangegeven dat een privébestuurder zich kan disculperen door te stellen en, zo nodig, te bewijzen, dat (juist) hem van het gewraakte handelen geen persoonlijk ernstig verwijt treft.

Wat dit laatste betreft, geldt ook na de invoering van de flex-BV wetgeving in 2012 dat het zin heeft om te blijven kijken naar de wijze waarop de BV-structuur is opgezet. Het is bijvoorbeeld van belang om te bezien welke bestuurder welke (hoofd)taken krijgt toebedeeld, en om te overwegen of het zinvol en wenselijk is om in de statuten vast te leggen hoeveel bestuurders er (mogen) zijn en wat hun eigen takenpakket is.

Daarnaast is van belang om bij de dagelijkse uitvoering van de bestuurstaken vast te leggen hoe en door wie de besluitvorming plaatsvindt en wordt voorbereid. Dit geldt temeer indien sprake is van precaire onderwerpen en uitvoering van niet-logische bestuurstaken (zoals een CFO die eigenlijk ook af en toe voor COO speelt etc.).  Als in retrospectief iets ‘mogelijk verkeerd is gegaan’ dan geldt voor alle bestuurders dat het van belang is goed vast te leggen wie op welke wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bestuurstaken in zijn of haar betrokkenheid bij de aangelegenheid in kwestie.

Op beide voormelde punten wil het in de praktijk nog weleens mis gaan. Wees hierop bedacht!

Meer weten? Neemt u gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of mr. Edwin Bregonje.

< Naar overzicht