"De bestuurder had het zo bedacht, dat de eigendom van de schepen in een andere BV viel, dan de vennootschappen waarmee de aankoop werd verricht "

Bestuurders van vennootschappen proberen hun ondernemersrisico te beperken, hetgeen onder meer kan worden bereikt door zaken te doen via een besloten vennootschap. Dat dit niet altijd waterdicht is, volgt uit een recent vonnis van de Rechtbank Gelderland.

De zaak die door de rechtbank werd beslecht, gaat over een bestuurder die twee BV’s had waarmee hij schepen ging aankopen om te gaan exploiteren. De bestuurder had het zo bedacht, dat de eigendom van de schepen in een andere BV viel, dan de vennootschappen waarmee de aankoop werd verricht (hierna: de ‘projectvennootschappen’). De schepen werden verhypothekeerd aan de bank.

De exploitant van de scheepswerf waarmee zaken werd gedaan (hierna: ‘scheepsbouwer’) had aanvankelijk in maart 2012 met de schipper onderhandeld over een contract waarin een financieringsvoorbehoud ten behoeve van de projectvennootschappen was opgenomen. In juni 2012 kwam er groen licht voor de aankoop, echter zonder financieringsvoorbehoud. De scheepsbouwer begon alvast te bouwen, in weerwil van het bij haar bekende feit dat de eerste deeltermijnen nog niet volledig waren betaald. De eerste termijn voor ieder schip bedroeg € 1.112.000,- (40% van de aanneemsom). Betaald was echter pas € 350.000,-. De rest van de aankoopsom is onbetaald gebleven. De rechtbank had vervolgens de projectvennootschappen veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan de schade die de scheepsbouwer stelde te hebben geleden. Een van de projectvennootschappen werd vervolgens failliet verklaard.

De scheepsbouwer wendt zich vervolgens tot de bestuurder van de projectvennootschappen om betaling te verkrijgen van de restant schuld.

De rechtbank interpreteert de hierboven weergegeven feiten aldus, dat het laten aangaan door de vennootschappen van de overeenkomsten zonder financieringsvoorbehoud, nadat eerst is onderhandeld over een financieringsvoorbehoud, bij de scheepsbouwer de indruk heeft gewekt dat de financiering rond was. De scheepsbouwer stelt dat de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomsten wist dan wel behoorde te weten dat betaling van de eerste termijnen niet mogelijk was. Er zou sprake zijn van een bizarre financieringsconstructie, waarbij de betaling door externe financiers afhankelijk was van diverse, door de bestuurder of zijn projectvennootschappen te vervullen voorwaarden.

De rechtbank honoreert de voornoemde onderbouwing en acht de bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor de schuld van de projectvennootschappen. Het verweer van de bestuurder, dat het terugtrekken van de financiers hem niet kan worden verweten, kan hem niet baten. De rechtbank motiveert dat met de overweging dat het terugtrekken van de financiers tot het risico van de bestuurder als (indirect) bestuurder van de vennootschappen moet worden gerekend.

Deze uitspraak, hoewel de gekozen constructie opvallend is, roept enkele vraagtekens op. Is het niet juist zo dat het ondernemersrisico van het niet verkrijgen van financiering niet zonder meer bij een bestuurder mag komen te liggen als via een BV wordt gehandeld? Waarom heeft de scheepsbouwer geen vragen gesteld toen het financieringsvoorbehoud kwam te vervallen? En als het al niet senang aanvoelt dat de bestuurder een financiering heeft geregeld waarbij de betaling van bedragen (deels) afhankelijk zou zijn van zijn eigen handelen, kan dat feit tezamen met de rest van de motivering de strenge maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid doorstaan? Uit het vonnis volgt immers niet dat de bestuurder heeft gegarandeerd dat hij de overeenkomst zou nakomen, noch dat de scheepsbouwer stelt dat uit de feiten volgt dat de bestuurder zich persoonlijk garant wilde stellen dan wel die indruk zou hebben gewekt. Daarbij komt dat de scheepsbouwer is blijven doorwerken, terwijl zeer grote voorschotbedragen onbetaald bleven. Bij de toetsing kan een dergelijke omstandigheid, indien deze wordt aangevoerd ter weerlegging van het gestelde persoonlijke ernstige verwijt, gewicht in de schaal leggen.

Met de feiten zoals overwogen door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de gezaghebbende jurisprudentie ten aanzien van projectvennootschap Hanzevast III valt ons inziens ook niet zonder meer een parallel te trekken. Zo kende het hof in die zaak gewicht toe aan het feit dat Hanzevast een grote kapitaalkrachtige partij is en G4 daarom mocht verwachten dat een kapitaalkrachtige BV zou worden opgericht tegen de tijd dat de overeenkomst rond was.

Dat de aanvang van de werkzaamheden in weerwil van het onbetaald blijven van de in rekening gebrachte voorschotten in de procedure een gevoelig punt blijft in de procedure, volgt uit de slotoverweging van de uitspraak. De scheepsbouwer zal namelijk de schade in een zogenaamde schadestaatprocedure moeten vorderen. Dat betekent dat de schade nader vastgesteld moet worden door de rechter. In een eventuele schadestaatprocedure zal de rechtbank, zo geeft zij aan, alsnog aandacht kunnen besteden aan de betekenis van de stelling van de bestuurder dat de scheepsbouwer voor eigen rekening en risico een aanvang heeft gemaakt met de werkzaamheden terwijl de eerste termijnen nog niet waren voldaan (eigen schuld-verweer) en het verweer dat de scheepsbouwer een creditfactuur heeft gestuurd. Het staat met andere woorden nog niet vast dat de scheepsbouwer de volledige schade vergoed krijgt.

De uitspraak is nog niet onherroepelijk. Het valt dus niet uit te sluiten dat hiervan nog hoger beroep wordt ingesteld. We houden u op de hoogte, mocht dat het geval zijn!

Meer weten? Neem gerust contact op met mr. Mieke Verhoeff of met mr. Matthijs Hoekstra.

< Naar overzicht