"De franchisenemer vist vaak achter het net wanneer hij tegen de franchisegever een schadeclaim instelt met het argument dat hij onvoldoende begeleiding heeft gekregen."

Advies en bijstand door de franchisegever: een afdwingbare verplichting?

Heeft de franchisenemer in een gerechtelijke procedure een stok om mee te slaan als hij gedurende de franchiserelatie onvoldoende advies en bijstand krijgt van zijn franchisegever?

In de literatuur wordt aangenomen dat de verplichting tot het verlenen van bijstand een kernverplichting van de franchisegever is. Verder is in de Nederlandse Franchise Code (NFC) vastgelegd dat de franchisegever de individuele franchisenemer een toegespitste aanvangsopleiding dient te geven en relevante begeleiding dient te verlenen tijdens de looptijd van de overeenkomst (artikel 2.3 onder e NFC). In de meeste franchisecontracten komt deze verplichting terug in de preambule van de overeenkomst.

Recentelijk nog oordeelde de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel voorshands dat hij niet had vastgesteld dat de franchisegever wezenlijke kennis deelde met de franchisenemer, met als gevolg dat hij betwijfelde of de overeenkomst wel een franchiseovereenkomst was. Kortom, het delen van kennis is voor sommige rechters een dermate essentieel element van ‘franchise’ dat het gebrek hieraan tot gevolg kan hebben dat een overeenkomst geen franchiseovereenkomst is.

Toch blijkt dat de franchisenemer vaak achter het net vist wanneer hij tegen de franchisegever een schadeclaim instelt met het argument dat hij onvoldoende begeleiding heeft gekregen. Vaak speelt hierbij een rol dat de franchisenemer nalaat tijdig een geldige ingebrekestelling te sturen, waarin hij de franchisegever wijst op zijn verplichting om bijstand te verlenen en hem nog een termijn gunt om deze verplichting alsnog na te komen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 14 september 2011. In de regel dient een ingebrekestelling concreet te zijn, dus het is aan te raden om daarin op te nemen op welke punten bijstand nodig is en de franchisegever te wijzen op de gevolgen als hij dat niet doet binnen de gestelde termijn.

Ingeval het toch tot een procedure komt, zal de franchisenemer moeten stellen, en zo nodig moeten bewijzen, dat hij met de juiste begeleiding van de franchisegever geen schade zou hebben geleden. Dat zal niet eenvoudig zijn, omdat er vaak vele factoren zijn aan te wijzen voor de financiële teloorgang van een onderneming en achteraf lastig vast te stellen is of de begeleiding van de franchisenemer hier verandering in had gebracht.

Kortom, advies en bijstand zijn afdwingbaar, als de franchisegever hierop tijdig en voldoende concreet wordt aangesproken. De franchisenemer heeft dus een stok om mee te slaan als blijkt dat hij gedurende de franchiserelatie door de franchisegever aan zijn lot wordt overgelaten, maar hij zal zelf het nodige moeten doen, voordat hij zijn schade op de franchisegever kan verhalen.

Vragen?

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem gerust contact op met mr. Menachem de Jonge of mr. Mieke Verhoeff.

< Naar overzicht