Blog Door mr. M.J. (Matthijs) Hoekstra, mr. F.G. (Gülsüm) Yilmaz

Geldt de vervaltermijn ook als een werknemer aanspraak maakt op een gedeeltelijke transitievergoeding? Deze vraag houdt de rechtspraktijk al enige tijd bezig.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft zich recent over deze vraag gebogen.

Wat speelde er in deze zaak? De werknemer is op 1 oktober 1981 bij de werkgever in dienst getreden. Op 25 april 2015 is hij wegens ziekte uitgevallen en op 20 maart 2017 is door UWV geoordeeld dat werknemer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering in de categorie
45-55%. Met ingang van 25 april 2017 heeft hij 50% van zijn gebruikelijke werkzaamheden verricht. Naar aanleiding hiervan heeft de werkgever de arbeidswaarvoorwaarden waaronder het salaris van de werknemer aangepast.

De werknemer maakte daarna aanspraak op 50% van de transitievergoeding,
te vermeerderen met de wettelijke rente. De werknemer heeft dit verzoek gebaseerd op de Kolom-beschikking van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een werknemer bij substantiële vermindering van de arbeidstijd (dat is ten minste 20%) recht heeft op een pro rato transitievergoeding. De werkgever heeft in deze zaak een beroep gedaan op de wettelijke vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub b BW. Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen strekkende tot betaling van de transitievergoeding vervalt drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat het niet redelijk en billijk is om werknemer het niet in acht nemen van de vervaltermijn tegen te werpen.
De kantonrechter heeft daarom geoordeeld dat de werkgever aan de werknemer de gedeeltelijke transitievergoeding moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
De werkgever heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter.

In de Kolom-beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst niet voorziet in een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens het wettelijk stelsel wordt een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel opgezegd of ontbonden. Ook de regeling van de transitievergoeding bepaalt dat de transitievergoeding uitsluitend verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De wet voorziet niet in een aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding in het geval van een vermindering van de arbeidsduur. De Hoge Raad oordeelde echter dat de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding moet worden aanvaard in gevallen dat wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Voorbeelden hiervan zijn het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische redenen en blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

In deze zaak was sprake van een door omstandigheden gedwongen substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd, waardoor de werknemer in beginsel aanspraak heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De werkgever heeft een beroep gedaan op de vervaltermijn waarna de werknemer heeft aangevoerd dat deze vervaltermijn niet van toepassing is, omdat zijn verzoek tot een gedeeltelijke transitievergoeding niet is gebaseerd op artikel 7:673 BW (regeling van de transitievergoeding), maar op de door de Hoge Raad geformuleerde regel in de Kolom-beschikking.   

Het gerechtshof is van oordeel dat het verzoek van werknemer tot een gedeeltelijke transitievergoeding moet worden gezien als een verzoek op grond van artikel 7:673 BW.
Dit betekent dat de vervaltermijn eveneens van toepassing is. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid volgt dat de vervaltermijn ten doel heeft om de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van de transitievergoeding voor partijen zo kort mogelijk te houden. Dit belang geldt ook in geval van een gedeeltelijke transitievergoeding.

Met ingang van 25 april 2017 is de arbeidstijd van werknemer substantieel en structureel verminderd. De bevoegdheid om een verzoekschrift in te dienen van een verzoek tot een transitievergoeding voor dat deel van de arbeidsovereenkomst is daarom vervallen op
26 juli 2017 (na drie maanden). Het verzoekschrift is ter griffie van de rechtbank aangekomen op 12 december 2018. Het gerechtshof oordeelt dat de vervaltermijn ruimschoots was verstreken.

Het gerechtshof moest ook de vraag beantwoorden of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan het beroep op de vervaltermijn. Het gerechtshof is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden die werknemer heeft aangevoerd niet volgt dat het beroep van werkgever op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het algemeen is de rechter terughoudend bij de beoordeling van een beroep op redelijkheid en billijkheid. Nu het ook gaat om een regel van dwingend recht, bestaat er nog minder ruimte voor de honorering van een dergelijk beroep dan dat in het algemeen al het geval is. Ook is geen sprake van strijd met het beginsel van goed werkgeverschap.

Het voorgaande maakt dat het gerechtshof van oordeel is dat werkgever niet is gehouden om de gedeeltelijke transitievergoeding te betalen aan de werknemer. Werknemer wordt
niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek omdat dit verzoek niet is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) is geëindigd.
De werknemer vist dus achter het net.

Heeft u vragen over de (gedeeltelijke) transitievergoeding en vervaltermijnen? Neem dan gerust contact op met mr. Matthijs Hoekstra of mr. Gülsüm Yilmaz.

Team Arbeidsrecht:

Jelle van Roeyen
Diel Boere
Matthijs Hoekstra
Gracia Dierikx
Gülsüm Yilmaz

Auteurs

< Naar overzicht