Blog Door mr. R.M. (Ronald) Pieterse

Het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht voor het eerst gecorrigeerd

Het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb houdt in dat een belanghebbende in een beroepsprocedure alleen met succes een beroep kan doen op een norm, indien die norm strekt tot bescherming van zijn belangen. Worden die belangen daardoor niet beschermd, dan kan de schending van die norm niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Door dit relativiteitsvereiste wordt de belanghebbende dus beperkt in de beroepsgronden die hij met succes kan aanvoeren.

Het burgerlijk recht kent het relativiteitsvereiste al langer, zij het in iets andere vorm (art. 6:163 BW). Op dit burgerrechtelijke relativiteitsvereiste is reeds meer dan een halve eeuw geleden een uitzondering gemaakt. Die uitzondering, die vandaag de dag bekend staat als de ‘correctie Langemeijer’, houdt in dat, als het relativiteitsvereiste aan schadevergoeding in de weg staat, het feit dat een wettelijke norm is geschonden tóch kan bijdragen aan het oordeel dat naar ongeschreven recht onrechtmatig is gehandeld.

In het meer dan 50 jaar oude ‘Tandartsenarrest’ was de situatie dat een tandarts zijn praktijk uitoefende in strijd met de Wet Tandheelkunst. Die wet strekte echter niet tot bescherming van zijn collega’s die zich wél aan die wet moesten houden en concurrentienadeel leden. Het ongeschreven recht bracht volgens de Hoge Raad echter met zich mee dat het relativiteitsvereiste werd gepasseerd en het eindoordeel luidde dat wel onrechtmatig jegens die collega’s was gehandeld.

Lange tijd is de vraag geweest of de ’correctie Langemeijer’ ook van toepassing is op de bestuursrechtelijke relativiteitseis. Om een antwoord op die vraag te krijgen heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een eerdere zaak advies gevraagd aan de Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven. De mogelijkheid tot het vragen van een dergelijk advies bestaat sinds 1 januari 2013. A-G Widdershoven concludeerde toen dat het vertrouwens- en/of het gelijkheidsbeginsel aan de toepassing van art. 8:69a Awb in de weg zou kunnen staan. Die uitzondering is vervolgens door de Afdeling aanvaard in haar uitspraak van 16 maart 2016. Echter, in die zaken was van schending van deze beginselen geen sprake, zodat het relativiteitsvereiste bleef gelden.

In drie uitspraken van 28 december 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor het eerst het relativiteitsvereistewél gecorrigeerd (ECLI:NL:RVS:2016:3451, ECLI:NL:RVS:2016:3453 en ECLI:NL:RVS:2016:3454). Dit op grond van het gelijkheidsbeginsel.

De drie uitspraken gaan over een geschil met betrekking tot handhaving van de Drank- en Horecawet tussen de vereniging SlijtersUnie en B&W van Sint-Oedenrode, Someren en Schijndel, met enkele supermarkten en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel als derde belanghebbenden. Centraal stond de overtreding van artikel 24 van de Drank- en Horecawet, welke bepaling voorschrijft dat tijdens openingstijden een leidinggevende in een slijterij aanwezig moet zijn. Dat artikel werd volgens de SlijtersUnie door supermarkten geschonden.

Volgens de Afdeling strekt art. 24 van de Drank- en Horecawet niet tot bescherming van de concurrentiebelangen van slijterijen. Echter, nu sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel, corrigeert de Afdeling de werking van het relativiteitsvereiste. De Afdeling overweegt in dit kader dat de zelfstandige slijterijen nadeel ondervonden, omdat zij de kosten van de aanwezigheid van een leidinggevende, anders dan de supermarkten, niet deels ten laste van een supermarkt kunnen brengen. Dit leidde uiteindelijk tot het oordeel dat:

hoewel art. 24, eerste lid van de Dhw, niet strekt ter bescherming van de belangen van de SlijtersUnie (…) de hier aan de orde zijnde schending van deze bepaling wel bij{draagt} aan het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.”

In dit geval leidt schending van het gelijkheidsbeginsel er dus toe dat het relativiteitsvereiste terzijde wordt geschoven. De vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden, is doorgaans sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het is dus zaak steeds te stellen en aan te tonen dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Wordt dat met succes naar voren gebracht, dan zal de bestuursrechter ambtshalve (moeten) toetsen of toepasselijkheid van de relativiteitseis terzijde geschoven kan worden. Deze uitspraken laten dus voor het eerst zien dat de ‘correctie Widdershoven’, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk effectief kan zijn.

Meer weten over dit onderwerp? Neemt u gerust contact op met mr. Ronald Pieterse of mr. Jan Jacobse.

mr. R.M. (Ronald)  Pieterse

mr. R.M. (Ronald) Pieterse

Aansprakelijkheid, Bestuursrecht, Bouwrecht, Contr...

Over de auteur

Mr. R.M. (Ronald) Pieterse adviseert en procedeert o.a. op het gebied van overheidsaansprakelijkheid (schadevergoeding en nadeelcompensatie), bouwrecht (UAV, UAV-GC en DNR), bestuursrecht, omgevingsrecht en samenwerkende overheden (Wgr), vaak in een politiek en bestuurlijk gevoelige context. Mede vanwege deze ervaring werkt Ronald ook voor grote landelijke partijen als overheidsverzekeraars. Vanuit zijn specialismen verzorgt Ronald regelmatig cursussen en lezingen voor cliënten door het gehele land en publiceert hij.
< Naar overzicht