Blog Door mr. F.G. (Gülsüm) Yilmaz, mr. M.J. (Matthijs) Hoekstra

Op 13 januari 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat het instellen van een mondkapjesplicht op de werkvloer onder het instructierecht van de werkgever valt. Zolang de werknemer niet aan de instructie voldoet, mag de werkgever de werknemer niet tot het werk toelaten en kan hij de loonbetaling opschorten.

Wat was er in deze zaak aan de hand?

De werkgever (een banketbakkerij) heeft op 13 oktober 2020 het dragen van een mondkapje verplicht gesteld voor al haar werknemers. Eén van de werknemers,
een bezorger/chauffeur, weigert een mondkapje te dragen. Deze werknemer hoeft in de bestelwagen geen mondkapje te dragen. De mondkapjesplicht geldt voor hem alleen als hij in het bedrijfspand is.

Nadat de werknemer heeft aangegeven geen mondkapje te willen dragen, vindt er een gesprek plaats tussen de werkgever en werknemer. In dat gesprek heeft de werkgever aangegeven dat de loonbetaling aan werknemer zal worden opgeschort en dat de werknemer op non-actief wordt gesteld. De werknemer vordert vervolgens in kort geding betaling van het salaris en toelating tot het werk.

Tijdens de procedure stelt de werknemer dat de mondkapjesplicht een inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer, omdat het hinder, ongemak en gezondheidsrisico’s veroorzaakt. De werkgever beroept zich op het instructierecht. Het instructierecht is vastgesteld in artikel 7:660 BW en houdt in dat de werkgever aan de werknemer eenzijdig instructies kan geven waaraan de werknemer zich bij de uitvoering van de werkzaamheden dient te houden. Nu de werknemer de instructie om een mondkapje te dragen niet opvolgt, heeft de werkgever hem terecht de toegang tot het werk geweigerd. Het feit dat de werknemer zijn werkzaamheden niet kan uitvoeren, komt voor zijn risico zodat de werkgever geen loon hoeft te betalen op grond van de regel “geen arbeid, geen loon”.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelt dat de door de werkgever ingestelde mondkapjesplicht onder het instructierecht (artikel 7:660 BW) valt. De mondkapjesplicht dient twee legitieme doelen, namelijk het zorgen voor een veilige werkomgeving en het beschermen van het bedrijfsbelang (beperken van risico op uitval van een groot deel van het personeel). De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat het dragen van een mondkapje gedurende de coronapandemie bijdraagt aan de gezondheid en algemene veiligheid. De werkgever had er ook belang bij om één lijn te trekken binnen het bedrijf en hoefde de mondkapjesplicht niet te differentiëren naar verschillende functies.
De betreffende werknemer hoefde in de bestelwagen bovendien geen mondkapje te dragen, waardoor hij 80% tot 90% van de tijd was ontheven van de mondkapjesplicht. Voorts is aan de zijde van de werknemer geen sprake van een medische of psychologische belemmering om een mondkapje te dragen. Gelet op het voorgaande is het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de werkgever in redelijkheid de mondkapjesplicht mocht invoeren en dat de werknemer die instructie moest opvolgen. Zolang de werknemer zich niet houdt aan de instructie, mag de werkgever de toegang tot het werk ontzeggen en hoeft hij geen loon aan de werknemer te betalen.

Heeft u vragen over deze uitspraak of hebt u andere arbeidsrechtelijke vragen over corona? Neem dan gerust contact op met een van onze leden van Team Arbeidsrecht.

Jelle van Roeyen
Diel Boere
Matthijs Hoekstra
Gracia Dierikx
Gülsüm Yilmaz

Auteurs

< Naar overzicht