Blog Door mr. S.C.S. (Simone) van Bree, mr. J. (Joke) Mikes

Inleiding
Een half jaar geleden, op 27 maart 2020, heeft de Hoge Raad nogmaals bevestigd dat gezamenlijk gezag van ouders de norm is en dat eenhoofdig gezag dient te gelden als uitzondering. In deze casus konden de ouders het niet eens worden over hoe zij het ouderschap over hun minderjarige dochter vorm gingen geven. Zowel in de procedure bij de Hoge Raad als in eerdere procedures lijkt de moeder geen enkele rol voor de vader te zien, terwijl de vader juist volledig bij de opvoeding van het kind betrokken wil zijn. De Hoge Raad beslist in dit specifieke geval in het voordeel van de vader. Hoe is de Hoge Raad tot dit oordeel gekomen?

Procedures in eerste aanleg en hoger beroep
Partijen zijn de ouders van één minderjarige (hierna: ‘het kind’). Aangezien de vader en de moeder bij de geboorte van het kind niet gehuwd waren, oefende de moeder na de geboorte van het kind van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over haar uit (op grond van art. 1:253b lid 1 BW).

Bij beschikking van 5 juli 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland het kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling gesteld, met ingang van 5 juli 2018. Deze beschikking is bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2019 bekrachtigd.

Voorts heeft de rechtbank Midden-Nederland de ouders, op verzoek van de vader, gezamenlijk belast met het gezag over het kind. De moeder is in hoger beroep gekomen en heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en het verzoek van de vader om gezamenlijk te worden belast met het ouderlijk gezag alsnog af te wijzen.

Het hof volgt echter de eerdere beslissing van de rechtbank en komt – kort gezegd – tot het oordeel dat het in het belang van het kind is dat de ouders samen met het gezag over het kind zijn belast. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

“Met de moeder is het hof van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders zonder dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering valt te verwachten. Deze vaststelling zou in beginsel moeten betekenen dat alleen de moeder het gezag over [de minderjarige] zou moeten hebben. Toch is het hof in deze zaak van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders samen het gezag hebben en houden. De moeder biedt immers op geen enkele wijze opening aan de vader om betrokken te zijn in het leven van [de minderjarige]. Het hof is niet gebleken van enig aanknopingspunt of vooruitzicht dat de opstelling van de moeder op dit punt zal veranderen. Zij veronachtzaamt hierdoor op grove wijze haar verplichting de ontwikkeling van de banden tussen [de minderjarige] en haar vader te bevorderen. Het hof is van oordeel dat de moeder hierdoor zo duidelijk tegen het belang van [de minderjarige] handelt, dat het onverantwoord zou zijn dat zij als enige het gezag over [de minderjarige] heeft. Het hof acht deze beslissing, ook al is voldaan aan het zogeheten klem of verloren criterium toch verantwoord, omdat [de minderjarige] onder toezicht van de GI is gesteld.”

Procedure bij de Hoge Raad
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Volgens de Hoge Raad strookt de uitleg van het hof met het uitgangspunt dat bij beslissingen in het kader van vaststelling van (gezamenlijk) gezag, zoveel mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. De Hoge Raad verwerpt dan ook het beroep van de moeder en bekrachtigt de beschikking van het hof.

In een geval als dit, zo merkt de Hoge Raad op, waarin de moeder de vader op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van het kind, is het toewijzen van gezamenlijk gezag één van de instrumenten die de rechter moet kunnen benutten om de band tussen het kind en de vader toch te bevorderen. Hoewel gezamenlijk gezag het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag er in dit geval waarschijnlijk toe dat de vader geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. De rechter moet in zulke situaties de ruimte hebben om, uitgaande van de situatie ten tijde van zijn beslissing, in te schatten welke van de twee kwaden het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden. In deze kwestie achtte de Hoge Raad de toekenning van het gezag aan beide ouders toch verantwoord, met name omdat het kind al onder toezicht was gesteld.

Het klemcriterium
Zowel het hof als de Hoge Raad passen het zogenoemde ‘klemcriterium’ toe. Het klemcriterium komt alleen aan de orde bij de rechterlijke beoordeling in hoeverre gezamenlijk gezag in het belang van een kind is. Het komt er op neer dat een verzoek van een ouder om het gezag te wijzigen wordt afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins niet in het belang van het kind is.

Zowel de wet als in de rechtspraak wordt van ouders in beginsel verlangd dat zij bewerkstelligen om samen invulling te geven aan het ouderschap. Eenhoofdig gezag heeft namelijk verstrekkende gevolgen: de ouder die niet het gezag heeft, is niet verplicht om de zorg en opvoeding voor een kind te dragen.

Tot slot
Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad nogmaals bevestigd en benadrukt dat gezamenlijk gezag de gewenste norm is. Dit is in lijn met de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek; ook de wetgever wil dat ouders zoveel mogelijk gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Rechters krijgen wel de ruimte om in geval van zeer ernstige contra-indicaties te bepalen dat het gezag door één ouder alleen wordt uitgeoefend.

Heeft u vragen hierover of wenst u uw specifieke situatie te bespreken? Neem dan gerust contact op.

Auteurs

< Naar overzicht