Blog Door mr. J.J. (Jan) Jacobse

Planschade
In dit blog praten wij u graag even bij over relevante zaken op het gebied van overheidsaansprakelijkheid. Omdat we dat begrip ruim opvatten, willen we u volledigheidshalve ook wijzen op de uitspraak van de afdeling van 28 september 2016. Deze uitspraak is al door velen gesignaleerd, dus wij volstaan met een aanbeveling. De Afdeling heeft bij wijze van service een overzicht gegeven van zijn jurisprudentie op het gebied van planschade. De meest relevante onderwerpen komen voorbij. Voor degenen die met planschade aan de slag moeten een must.

Wegbeheerdersaansprakelijkheid
In een heel ander hoek van de praktijk vraagt het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 om signalering. In deze zaak gaat het over de uitleg van artikel 6:174 BW voor wegbeheerdersaansprakelijkheid. Zoals wellicht bij u bekend, regelt artikel 6:174 lid 6 BW dat onder de (risico)aansprakelijkheid van de wegbeheerder ook het weglichaam en de weguitrusting valt. Al eerder heeft de Hoge Raad bepaald dat die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. De aanwezigheid van (losse) zaken op een weg zijn geen voorwerpen die behoren tot die weg en vallen dus niet onder de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW (denk bijvoorbeeld aan ijzel of sneeuw op de weg).

In de zaak van de gemeente Nijmegen was de vraag of de gemeentelijke elektriciteitskast met daaraan verbonden de elektriciteitskabels die lopen over het marktplein naar de marktkramen onderdeel zijn van de openbare weg. Deze vraag werd uiteraard relevant doordat iemand over de kabel is gestruikeld en daardoor schade heeft geleden.

De Hoge Raad oordeelt dat de elektriciteitskast en de stroomkabels geen onderdeel uitmaken van de weg en dat er daarom geen sprake is van risicoaansprakelijkheid. In dit geval is er ook geen sprake van schuldaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW. Het Hof heeft al geoordeeld dat de gemeente aan de zogenaamde Kelderluikcriteria heeft voldaan. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is teveel verweven met waarderingen van feitelijke aard. Voor geïnteresseerden in het vraagstuk van wegbeheerdersaansprakelijkheid en opstalaansprakelijkheid in meer algemene zin is de conclusie van AG Hartlief zeker de moeite van het lezen waard.

Besluitenaansprakelijkheid  
Tot slot signaleren wij een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2016. In dit arrest lijkt toepassing te worden gegeven aan de maatstaf van de Hoge Raad, uit het arrest van 3 juni 2016. In dit arrest wijkt de Hoge Raad af van de lijn van de Afdeling Bestuursrechtspraak voor wat betreft causaal verband tussen een vernietigd besluit en de schade die daarvan het gevolg zou zijn. De lijn van de Afdeling houdt in dat er geen verband bestaat tussen een vernietigd besluit en de gestelde schade, indien ten tijde van het vernietigde besluit ook een rechtmatig besluit genomen had kunnen worden met (naar aard en omvang) dezelfde schade tot gevolg (Zie ABRvS 15 december 2004).

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 3 juni jl. dat: “Niet beslissend is [,…] of het College de vergunning rechtmatig had kunnen weigeren, maar […] welk besluit het zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist.” 
Voor de vraag of er causaal verband bestaat, moet dus beoordeeld worden welk besluit er zou zijn genomen, in plaats van welk besluit er (rechtmatig) kon worden genomen.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch lijkt in het arrest van 4 oktober 2016 aan te sluiten bij deze ‘nieuwe’ maatstaf. Het Hof oordeelde over een in bezwaar herroepen besluit tot sluiting van een woning wegens verstoring van de openbare orde. De gemeente verweerde zich met de stelling dat zij ten tijde van het herroepen besluit, ook een rechtmatig besluit had kunnen nemen met dezelfde schade tot gevolg. Volgens de gemeente ontbreekt daarom het causaal verband tussen het besluit en de gestelde schade. Het Hof volgt dat verweer niet en overweegt dat niet kan worden aanvaard dat de burgemeester een rechtmatig besluit tot sluiting had kunnen nemen, “laat staan zou hebben genomen indien hij wél overeenkomstig de wet zou hebben beslist.”
Hiermee lijkt het Hof in elk geval (ook) oog te hebben voor de vraag wat de burgemeester daadwerkelijk zou hebben besloten, indien hij tot sluiting had kunnen overgaan.

Meer weten over dit onderwerp? Neemt u gerust contact op met mr. Jan Jacobse of mr. Ronald Pieterse.

mr. J.J. (Jan) Jacobse

mr. J.J. (Jan) Jacobse

Aanbestedingsrecht, Aansprakelijkheid, Bestuursrec...

Over de auteur

Mr. J.J. (Jan) Jacobse adviseert en procedeert op het gebied van (overheids)aansprakelijkheid, bouwrecht vastgoedrecht en bestuursrecht, vaak in een politiek en bestuurlijk gevoelige context. Hij heeft een omvangrijke expertise opgebouwd op het gebied van samenwerkende overheden en de aansprakelijkheidsrisico’s daarvan. Jan heeft een bijzondere belangstelling voor de zogenaamde grondwettelijke vrijheden. Daarom doet hij met regelmaat mediazaken en behandelt hij kwesties over onrechtmatige (media)uitlatingen. Jan werkt voor grote landelijke partijen als verzekeraars.
< Naar overzicht