Blog Door mr. S.C.S. (Simone) van Bree, mr. J. (Joke) Mikes

Uit recente cijfers van het CBS volgt dat het aantal ondernemers in Nederland groeit: in de afgelopen tien jaar is het aantal bedrijven met 52 procent toegenomen tot ruim 1,75 miljoen op 1 januari 2019. Met deze trend in het achterhoofd is het van belang dat ondernemers zich bewust zijn van de mogelijke risico’s die zich kunnen voordoen wanneer ze trouwen in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.

Beperkte gemeenschap van goederen
Kern van de Nederlandse wettelijke beperkte gemeenschap is de gedachte dat slechts hetgeen dat echtgenoten door hun inspanningen tijdens het huwelijk verkrijgen in de huwelijksgemeenschap valt. Sinds 1 januari 2018 vallen voorhuwelijkse gezamenlijke goederen en de tijdens de gemeenschap opgebouwde goederen op grond van artikel 1:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in de huwelijksgemeenschap, behoudens de onder sub a tot en met c BW genoemde uitzonderingen. Hetzelfde geldt voor de schulden: slechts de voorhuwelijkse gezamenlijke schulden en de tijdens de gemeenschap opgebouwde goederen vallen in de huwelijksgemeenschap. Daarnaast zijn ook erfenissen en schenkingen van rechtswege uitgesloten. Er ontstaan bij de huwelijksvoltrekking in beginsel dus drie vermogens: het eigen vermogen, het vermogen van de partner en het gemeenschappelijk vermogen.

Voorhuwelijkse onderneming en redelijke vergoeding
Bovenstaande betekent echter niet dat de echtgenoot van een ondernemer per definitie met lege handen achterblijft. Met de invoering van het nieuwe huwelijksvermogensrecht op 1 januari 2018 is artikel 1:95a aan het BW toegevoegd. Dit wetsartikel regelt dat een voorhuwelijkse onderneming een redelijke beloning is verschuldigd aan de huwelijksgemeenschap. Met de toevoeging van art. 1:95a BW heeft de wetgever een uitzondering gemaakt op het hiervoor genoemde uitgangspunt, namelijk dat voorhuwelijks vermogen - en de vruchten daarvan - in beginsel buiten de huwelijksgemeenschap blijven.

Ingevolge artikel 1:95a BW is een voorhuwelijkse onderneming, die van rechtswege buiten de gemeenschap valt, een redelijke vergoeding verschuldigd ten bate van de gemeenschap. Deze regeling geldt zowel voor een eenmanszaak als voor een maatschap, vennootschap onder firma, besloten vennootschap of naamloze vennootschap. Bij een eenmanszaak is echter geen sprake van afgescheiden vermogen. Ten aanzien van de overige ondernemingsvormen geldt de regeling wanneer de ondernemer in overwegende mate in staat is te bepalen dat de winst van de onderneming hem of haar toekomt.

De redelijke vergoeding geldt als een tegemoetkoming voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de ondernemer ten behoeve van zijn onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. De gedachte is dat een salaris, indien de ondernemende echtgenoot in loondienst zou zijn geweest, tot de gemeenschap zou behoren. Nu de betreffende echtgenoot echter ondernemer is, komen deze verdiensten mogelijk slechts gedeeltelijk ten bate van de huwelijksgemeenschap. Het kan zijn dat deze inkomsten zijn opgepot in de onderneming. In een dergelijk geval - en indien dit geld niet al op andere wijze ten bate van de huwelijksgemeenschap is gekomen - dient de onderneming een vergoeding aan de gemeenschap te betalen. Deze gemeenschap dient bij een echtscheiding bij helfte verdeeld te worden, ook al behoort de onderneming tot het privévermogen van één van beide echtgenoten.

Let op: artikel 1:95a BW heeft directe werking. Dit houdt in dat de regeling ook geldt voor echtgenoten die vóór 1 januari 2018 zijn gehuwd, waarbij de onderneming buiten de gemeenschap valt. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat deze onderneming is gefinancierd met een schenking of erfenis, waarbij door de schenker of erflater een uitsluitingsclausule is opgesteld.

Invulling norm ‘redelijke vergoeding’
Wat onder ‘redelijke vergoeding’ dient te worden verstaan en hoe de hoogte van een dergelijke vergoeding moet worden bepaald, is vooralsnog onduidelijk. Doordat niet wettelijk is vastgelegd wat als een redelijke vergoeding moet worden aangemerkt, zou er onzekerheid kunnen ontstaan. De wetgever heeft bepaald om de invulling van de norm over te laten aan de praktijk. De hoogte van de redelijke vergoeding zal echter op vele manieren berekend kunnen worden. De omvang van de vergoeding zal per geval verschillen en afhangen van de concrete omstandigheden. De wetgever sluit met betrekking tot de omvang van het vergoedingsrecht in beginsel aan bij hetgeen dat kan worden toegerekend aan de arbeidsinspanningen van de ondernemer, voor zover dat naar maatschappelijke opvattingen aanvaardbaar is. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit vergoedingsrecht tevens kan worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Momenteel zijn er echter nog geen uitspraken die invulling geven aan de norm ‘redelijke vergoeding’. De praktijk zal dit verder moeten uitwijzen.

Ondernemers doen er, als ze geen onzekere situatie wensen, verstandig aan afspraken te maken in de vorm van huwelijkse voorwaarden. Wilt u meer informatie over de redelijke vergoeding, de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen en/of de mogelijkheden om van dit wettelijk stelsel af te wijken? Aarzelt u dan niet om contact op te nemen.

Auteurs

< Naar overzicht